IEFBE 2247
  • Grondwettelijk hof - Cour constitutionelle
    13 jul 2017
  • Comizzo en Etri tegen de Belgische Staat

Art. 134 Wet elektronische communicatie in strijd met de Grondwet nu het alleen betalende diensten betreft

Grondwettelijk Hof 13 juli 2017, IEFbe 2247 (Comizzo en Etri tegen de Belgische Staat) Telecom. Etri en Myport (thans Comizzo) boden betalende sms-diensten aan via bepaalde shortcodes, die o.a. betrekking hebben op het op de hoogte houden van de locatie van snelheids- en alcoholcontroles door de politie. Aangezien artikel 7 Ethische Code voor de telecommunicatie betalende diensten verbiedt indien zij helpen om wettelijke controles ter bevordering van de (verkeers-)veiligheid te omzeilen, werden Etri en Myport veroordeeld tot een administratieve geldboete. Het Hof van Beroep Brussel [IEFbe 1478] heeft de volgende prejudiciële vraag gesteld: "Schendt artikel 134 Wet betreffende elektronische communicatie, in zoverre het enkel van toepassing is op betalende diensten via elektronische communicatienetwerken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?" Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met deze bepaling de bescherming van de consument beoogde. Hierbij is het onderscheid tussen betalende en niet-betalende diensten evenwel niet pertinent. Zowel de bescherming van de consument als de verbetering van de verkeersveiligheid en het vermijden van wetsontduiking moeten worden gediend ongeacht het al dan niet betalende karakter van de dienst. De prejudiciële vraag wordt bevestigend beantwoord.

B.6.1. Het in het geding zijnde onderscheid tussen personen, naargelang zij betalende of niet-betalende diensten via elektronische communicatienetwerken aanbieden, berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet bestaan van een betalingsverplichting voor de eindgebruiker in ruil voor de inhoud van de geleverde dienst.

B.6.2. Dat criterium van onderscheid is evenwel niet pertinent in het licht van de met de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doeleinden. Zowel de bescherming van de consument als de verbetering van de verkeersveiligheid en het vermijden van wetsontduiking moeten immers worden gediend ongeacht het al dan niet betalende karakter van de via een elektronisch communicatienetwerk aangeboden dienst. In zoverre artikel 134, § 2, van de wet van 13 juni 2005 enkel van toepassing is op de personen die betalende diensten via een elektronisch communicatienetwerk aanbieden, is het niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.7. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.