IEFBE 2594

Conclusie AG: Geen vereist vermoeden van aansprakelijkheid voor houder van internetaansluiting bij auteursrechtinbreuk filesharing bij meerdere gezinsleden

Dan Brown Das Verlorene Symbol

Conclusie AG HvJ EU 6 juni 2018, IEF 17748; IEFbe 2594; IT 2582; ECLI:EU:C:2018:400 ; C‑149/17 (Audioboek Dan Brown; Lübbe tegen Strotzer) Schadevergoeding wegens een via filesharing gepleegde inbreuk op het auteursrecht. Internetaansluiting die toegankelijk is voor gezinsleden van de houder. Uitsluiting van aansprakelijkheid van de houder zonder dat de aard van het gebruik van de aansluiting door het gezinslid hoeft te worden gespecificeerd. Conclusie AG:

Artikel 8, lid 2 [InfoSoc-Richtlijn] en artikel 13, lid 1 [Handhavingsrichtlijn] moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet vereisen dat in het nationale recht van de lidstaten een vermoeden van aansprakelijkheid van de houders van een internetaansluiting wordt ingevoerd voor inbreuken op het auteursrecht die via deze aansluiting zijn begaan. Indien het nationale recht echter in een dergelijk vermoeden voorziet om de bescherming van die rechten te waarborgen, moet het consequent worden toegepast om de doeltreffendheid van die bescherming te waarborgen. Het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, mag niet aldus worden uitgelegd dat de houders iedere reële mogelijkheid wordt ontnomen om hun in artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten verankerde intellectuele-eigendomsrecht te beschermen.

Prejudicieel gestelde vragen [IEF 16818; IEFbe 2186]:

1. Moet artikel 8, leden 1 en 2, juncto artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus worden uitgelegd dat aan het vereiste dat de sancties voor inbreuken op het recht van beschikbaarstelling van een werk voor het publiek ‘doeltreffend [...] zijn en bijzonder preventieve werking hebben’ ook dan is voldaan ingeval de houder van een internetverbinding waarmee inbreuken op het auteursrecht zijn begaan door filesharing, daarvoor niet meer aansprakelijk kan worden gesteld wanneer hij minstens één gezinslid aanwijst die net als hij toegang tot het internet had via deze verbinding, zonder dat hij dienaangaande meer preciseringen hoeft te verstrekken over het juiste tijdstip en de aard van het gebruik van het internet door dat gezinslid?

2. Moet artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/48 aldus worden uitgelegd dat aan het vereiste dat de ‘maatregelen [...] die nodig zijn om de handhaving van de [...] intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen‘ ‘doeltreffend [...] zijn’, ook dan is voldaan ingeval de houder van een internetverbinding waarmee inbreuken op het auteursrecht zijn begaan door filesharing, daarvoor niet meer aansprakelijk kan worden gesteld wanneer hij minstens één gezinslid aanwijst die net als hij toegang tot het internet had via deze verbinding, zonder dat hij dienaangaande meer preciseringen hoeft te verstrekken over het juiste tijdstip en de aard van het gebruik van het internet door dat gezinslid?