IEFBE 2130

Conclusie AG: Geen verzet tegen opnemen naam op een zwarte lijst die volgens Belastingdienst als stromannen zijn te beschouwen

Conclusie AG HvJ EU 30 maart 2017, IT 2255; IEFbe 2130; ECLI:EU:C:2017:253; C-73/16 (Peter Puškár) Verwerking van persoonsgegevens – Bescherming van de grondrechten – Verplichte precontentieuze procedure – Lijst van persoonsgegevens die is opgesteld ter bestrijding van belastingfraude – Toelaatbaarheid van de lijst als bewijsmiddel – Beginsel van loyale samenwerking – Verhouding tussen de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Verzoeker heeft een beroepschrift ingediend waarmee hij verzoekt om alle SLW belastingautoriteiten te verbieden zijn naam en identificatiegegevens te plaatsen op een (‘zwarte’) lijst van natuurlijke personen die volgens het openbaar bestuur zijn te beschouwen als ‘stromannen’. Het bestaan van de lijst is bevestigd door verweerster (belastingdienst). Verzoeker stelt dat vermelding op de lijst inbreuk maakt op zijn recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van de goede naam. Conclusie AG:

1) Het gebruik van persoonsgegevens is in het kader van de belastingheffing onderworpen aan [Privacyrichtlijn], alsook aan de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, terwijl op strafrechtelijk gebied alleen de artikelen 7 en 8 van het Handvest van toepassing zijn voor zover het gaat om door het Unierecht geregelde vraagstukken.

 

2) Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte volgens artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en het doeltreffendheidsbeginsel verzetten zich niet tegen de vóór de instelling van een beroep verplichte uitputting van een administratief beroep, voor zover de modaliteiten daarvan niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de voorziening in rechte. Het verplichte administratieve beroep mag derhalve met name de gehele procedure van de voorziening in rechte niet op onredelijke wijze vertragen of buitensporige kosten veroorzaken.

3) De belastingadministratie mag volgens artikel 7, onder e), van richtlijn 95/46 voor haar doeleinden een lijst aanhouden van personen die fictief leidinggevende posities in bepaalde rechtspersonen bekleden en die niet hebben ingestemd met hun vermelding op die lijst. Voorwaarde is dat die taak bij wet is overgedragen aan de belastingadministratie, dat het gebruik van de lijst voor de doeleinden van de belastingadministratie daadwerkelijk geschikt en noodzakelijk is en dat er voldoende aanwijzingen zijn voor de verdenking dat de betrokken personen terecht op de lijst staan vermeld. Ook de fundamentele rechten op eerbiediging van het privéleven volgens artikel 7 van het Handvest en op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van artikel 8 ervan, zouden zich in dat geval niet verzetten tegen de opstelling en het gebruik van de lijst.

4)      Het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest verankerde fundamentele recht op een eerlijk proces verzet zich er in beginsel niet tegen dat interne documenten van een bij de procedure betrokken instantie die een andere partij bij het geding zonder toestemming van die instantie heeft verkregen, als ongeoorloofd bewijsmiddel worden geweigerd. Weigering is echter uitgesloten wanneer het gaat om een lijst van een financiële instantie van een lidstaat die persoonsgegevens van de verzoeker bevat welke die instantie volgens de artikelen 12 en 13 van de richtlijn gegevensbescherming aan de verzoeker moet meedelen.

5)      Wanneer een nationale rechter van oordeel is dat de beslechting van een bij hem aanhangig geding zou worden beïnvloed door rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, op grond waarvan rechten van het Handvest die corresponderen met door het EVRM gewaarborgde rechten in mindere mate worden beschermd dan door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dan kan hij zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden met een verzoek om uitlegging van het Unierecht ten aanzien van het betrokken geval. Wanneer de beslissingen van de nationale rechter zelf naar nationaal recht niet meer vatbaar zijn voor hoger beroep, dan is hij gehouden zich tot het Hof te wenden.”

Gestelde vragen (minbuza)

1. Moet artikel 47, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – op grond waarvan eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten, dus ook het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens neergelegd in de artikelen 1, lid 1, en volgende van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden – aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan voor de toegang tot een doeltreffende voorziening in rechte, zoals een verzoek aan de bestuursrechter, de voorwaarde geldt dat de verzoeker ter bescherming van zijn rechten en vrijheden alvorens zich tot de rechter te wenden de door de bepalingen van een bijzondere wet zoals de nationale wet op het administratief bezwaar geboden mogelijkheden heeft uitgeput?
2. Kunnen het recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de communicatie, neergelegd in artikel 7, en het recht op bescherming van persoonsgegevens, neergelegd in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in geval van beweerde schending van het recht op bescherming van persoonsgegevens zoals daaraan met betrekking tot de Europese Unie vooral uitvoering is gegeven in voormelde richtlijn 95/46, zoals inzonderheid:
– de verplichting van de lidstaten, het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens te waarborgen (artikel [1], lid 1), alsook
– de mogelijkheid van de lidstaten, te voorzien in de verwerking van persoonsgegevens wanneer dat noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang [artikel 7, onder e)] of voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of van de derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt,
– en gelet bovendien op de uitzonderlijke bevoegdheden van de lidstaat [de reikwijdte van de rechten en verplichtingen te beperken] [artikel 13, lid 1, onder e) en f)] wanneer die beperking noodzakelijk is ter vrijwaring van een belangrijk economisch en financieel belang van een lidstaat of van de Europese Unie, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat niet zonder instemming van de belanghebbende persoon registers van persoonsgegevens ten behoeve van de belastingadministratie mag aanhouden en dat dus de verkrijging van persoonsgegevens van een overheidsorgaan ten behoeve van de bestrijding van belastingfraude op zich een risico meebrengt?
3. Kan een register van een financiële instantie van een lidstaat dat de persoonsgegevens van [verzoeker] bevat en waarvan de niet-toegankelijkheid gewaarborgd is door passende technische en organisatorische maatregelen om de persoonsgegevens te beveiligen tegen niet-toegelaten verspreiding of toegang in de zin van artikel 17, lid 1, van voormelde richtlijn 95/46, waartoe [verzoeker] zich toegang heeft verschaft zonder daartoe rechtmatig toestemming te hebben gekregen van die financiële instantie van die lidstaat, worden beschouwd als onrechtmatig bewijs waarvan de gebruikmaking door de nationale rechter moet worden geweigerd overeenkomstig het Unierechtelijke beginsel van een eerlijke behandeling zoals neergelegd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?
4. Is het verenigbaar met bovenvermeld recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijke behandeling (inzonderheid met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie), wanneer de nationale rechter, ingeval de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens in een bepaald geval afwijkt van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie verstrekte antwoord, op basis van het beginsel van loyale samenwerking neergelegd in artikel 4, lid 3, VEU en artikel 267 VWEU voorrang geeft aan de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie?