IEFBE 2627

Hogere voorziening over aanname van 'groot onderscheidend vermogen' Puma-merk afgewezen

Gemma puma

HvJ EU 28 juni 2018, IEF 17796; IEFbe 2627; ECLI:EU:C:2018:509 ; C-564/16P (EUIPO tegen PUMA) Merkenrecht. Gemma heeft een Uniebeeldmerk aangevraagd van een springende katachtige, de oppositie is in het geheel afgewezen. De stukken die Puma had overleg ten bewijze van uitvoerig gebruik en bekendheid van haar ouder merk is om redenen van proceseconomie niet onderzocht in de veronderstelling dat het "groot onderscheidend vermogen" had. De kamer van beroep verwerpt het beroep van EUIPO na onderzoek van de stukken. Het EUIPO is verplicht om rekening te houden met beslissingen in soortgelijke aanvragen. De hogere voorziening door EUIPO ingesteld wordt afgewezen.

36      Het EUIPO verduidelijkt dat bekendheid geen feit is dat gevolgen erga omnes heeft, maar een vaststelling die beperkt is tot de partijen bij de betrokken procedure en alleen geldt voor die procedure, zodat eerdere beslissingen van het EUIPO waarbij de bekendheid van een merk wordt vastgesteld, als zodanig geen bewijs van bekendheid kunnen vormen in latere procedures. Een verwijzing naar zulke beslissingen kan dus slechts worden opgevat als een algemene en onnauwkeurige verwijzing naar in eerdere procedures voor het EUIPO overgelegde documenten, zodat een dergelijke verwijzing, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niet kan worden aanvaard als een geldig bewijs van de bekendheid, omdat anders inbreuk zou worden gemaakt op de in procedures inter partes geldende en in artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 neergelegde neutraliteitsplicht van het EUIPO alsook op het beginsel van behoorlijk bestuur. Bij gebreke van precieze aanwijzing door de opposant van de bewijzen die hij wenst aan te voeren, is het onmogelijk voor het EUIPO om de rechten van de verdediging te waarborgen van de partij die inschrijving van een teken als merk aanvraagt.

100    Aldus heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in datzelfde punt 37 van het bestreden arrest te oordelen dat in de concrete omstandigheden van de onderhavige zaak de kamer van beroep overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur hetzij de redenen had moeten vermelden waarom zij van oordeel was dat de door het EUIPO in de drie eerdere beslissingen verrichte vaststellingen met betrekking tot de bekendheid van de oudere merken in casu dienden te worden afgewezen, hetzij Puma had moeten verzoeken aanvullende bewijzen van de bekendheid van de oudere merken aan te dragen.