IEFBE 2436

HvJ EU: Verzet tegen import van een identiek merk uit een ander land niet mogelijk indien indruk is gewekt dat dit één wereldwijd merk is

HvJ EU 20 december 2017, IEF 17369; IEFbe 2436; ECLI:EU:C:2017:990; C-291/16 (Schweppes). Uit het persbericht: Het Spaanse bedrijf Schweppes kan zich niet verzetten tegen de import van flessen tonic water dat het handelsmerk "Schweppes" draagt ​​en van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk komt, indien het zelf de indruk heeft gewekt dat dit merk één wereldwijd handelsmerk is. Hetzelfde is van toepassing als dat bedrijf economische banden onderhoudt met de derde partij die de rechten op dat merk heeft in het Verenigd Koninkrijk.

 

Artikel 7 Merkenrichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de houder van een nationaal merk zich verzet tegen de invoer van identieke waren met hetzelfde merk uit een andere lidstaat, wanneer een derde partij de rechten heeft verkregen door middel van een opdracht, wanneer, na deze overdracht,

- de eigenaar, alleen of in samenwerking met de derde partij, actief en opzettelijk het uiterlijk of imago van één wereldwijd merk heeft blijven promoten en daardoor verwarring bij het betrokken publiek over de commerciële herkomst van de producten waarop het merk is aangebracht genereert of verhoogt,

of

- er zijn economische banden tussen de houder en de genoemde derde, in die zin dat zij hun commercieel beleid coördineren of overeenkomen om gezamenlijk het gebruik van het merk te controleren, zodat zij de mogelijkheid hebben om direct of indirect de waren vast te stellen waarop het merk is aangebracht en de kwaliteit van die waren kunnen controleren.

Gestelde vragen:

1)      Verzetten artikel 36 VWEU, artikel 7, lid 1, van richtlijn 2008/95 en artikel 15, lid 1, van richtlijn 2015/2436 zich ertegen dat de houder van een merk in één of meer lidstaten de parallelimport of het in de handel brengen verbiedt van waren die uit een andere lidstaat afkomstig zijn en zijn voorzien van een identiek of nagenoeg identiek merk dat in handen is van een derde, wanneer die houder een globaal merkimago heeft bevorderd dat wordt geassocieerd met de lidstaat waaruit de waren komen waarvan hij de invoer wil verbieden?

2)      Verzetten artikel 36 VWEU, artikel 7, lid 1, van richtlijn 2008/95 en artikel 15, lid 1, van richtlijn 2015/2436 zich tegen de verkoop van waren onder een merk met algemene bekendheid in de Unie, wanneer de houders van de ingeschreven merken in de volledige EER een globaal merkimago propageren dat bij de gemiddelde consument verwarring schept over de commerciële herkomst van de waren?

3)      Staan artikel 36 VWEU, artikel 7, lid 1, van richtlijn 2008/95 en artikel 15, lid 1, van richtlijn 2015/2436 eraan in de weg dat de houder van identieke of overeenstemmende nationale merken die in verschillende lidstaten zijn ingeschreven, zich verzet tegen de import, in een lidstaat waar hij houder is van het merk, van waren die zijn voorzien van een merk dat gelijk is aan of overeenstemt met het zijne en die komen uit een lidstaat waar hij het merk niet in handen heeft, wanneer hij in ten minste één van de andere lidstaten waar hij het merk in handen heeft, er uitdrukkelijk of stilzwijgend in heeft toegestemd dat diezelfde waren daar worden geïmporteerd?

4)      Staan artikel 36 VWEU, artikel 7, lid 1, van richtlijn 2008/95 en artikel 15, lid 1, van richtlijn 2015/2436 eraan in de weg dat houder A van een merk X dat in een lidstaat is ingeschreven, zich verzet tegen de import van waren die van dit merk zijn voorzien, wanneer deze waren afkomstig zijn uit een andere lidstaat, waar een merk Y, dat gelijk is aan het merk X, is ingeschreven door houder B, die het in de handel brengt, en:

–        tussen beide houders A en B intense commerciële en economische banden bestaan, ofschoon zij, wat de gezamenlijke exploitatie van merk X betreft, als zodanig niet van elkaar afhankelijk zijn;

–        beide houders A en B een gecoördineerde merkstrategie voeren, waarbij zij bij het relevante publiek bewust de indruk of het beeld versterken dat het om één enkel, globaal merk gaat; of

–        tussen beide houders A en B intense commerciële en economische banden bestaan, ofschoon zij, wat de gezamenlijke exploitatie van merk X betreft, als zodanig niet van elkaar afhankelijk zijn, en zij bovendien een gecoördineerde merkstrategie voeren, waarbij zij bij het relevante publiek bewust de indruk of het beeld versterken dat het om één enkel, globaal merk gaat?