IEFBE 2102

Immuniteit van Europees Octrooi Organisatie bevestigd

Hof Den Haag 7 maart 2017, IEF 166 ; ECLI:NL:GHDHA:2017:445 (Vakbondsunie van EOB cs. tegen Europese Octrooi Organisatie) Immuniteit Europees Octrooi Bureau. Verwijzing naar HR [IEF 16533]. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof. Na enkele inleidende beschouwingen over de toekenning van immuniteit aan internationale organisaties en de proportionaliteit van die toekenning in relatie tot het recht op toegang tot de rechter heeft de Hoge Raad overwogen: "Het feit dat leden van VEOB c.s. alleen achteraf kunnen opkomen tegen de door EOO vastgestelde bepalingen die VEOB c.s. in de onderhavige procedure ter discussie stellen, betekent dus nog niet dat het rechtsmiddel dat aan hen ter beschikking staat, geen voldoende effectief rechtsmiddel is in de zin van art. 13 EVRM". Het hof bekrachtigt het gewezen vonnis [IEF 16180] dat de EOO immuniteit geniet.

8. De door VEOB c.s in hoger beroep ingenomen stellingen zijn met dit oordeel in strijd. Hun stelling dat stelselmatig op oneigenlijke gronden interne onderzoeken en tuchtprocedures tegen bestuursleden worden geëntameerd in verband met hun vakbondswerk kan door de individuele leden in een procedure tegen eventuele tuchtmaatregelen bij het ILOAT aan de orde worden gesteld. Datzelfde geldt voor hun bezwaren tegen de wijze waarop de onderzoeken worden uitgevoerd en hun stelling dat de vakbonden door de betreffende onderzoeken en tuchtprocedures het werken onmogelijk wordt gemaakt. Het hof neemt bij dat oordeel in aanmerking dat de Hoge Raad oordeelde dat de individuele beroepsmogelijkheden van de leden van VEOB c.s. moeten worden aangemerkt als een voldoende redelijk alternatief om het uit artikel 11 EVRM voortvloeiende recht op collectieve actie effectief te kunnen beschermen. Ook de stelling van VEOB c.s. dat de beroepsgang bij het ILOAT niet effectief is omdat de individuele werknemers daar pas terecht kunnen nadat een sanctie is opgelegd, stuit af op het oordeel van de Hoge Raad. Aangezien VEOB c.s. zelf (en ten overvloede, par. 10 memorie van grieven) stellen dat deze procedure niet gaat om de (on)rechtmatigheid van algemene regels, kunnen hun opmerkingen over de vraag of algemene regels bij het ILOAT aan de orde kunnen worden gesteld, onbesproken blijven, dit nog daargelaten dat ook die stellingen afstuiten op het oordeel van de Hoge Raad. Grief 1 faalt daarom en datzelfde geldt voor grief 2 voor zover deze is gericht tegen de conclusie van de voorzieningenrechter dat hij geen rechtsmacht heeft.