IEFBE 2405

Vragen aan HvJEU over proceskostenverdeling wanneer vorderingen slechts ten dele worden toegewezen

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU 11 september 2017, IEF 17284; IEFbe 2405; C-554/17 (Société du Journal L’Est Républicain). Auteursrechten. Proceskosten. Via MinBuZa: Verzoekster heeft begin 2012 een persoon gefilmd tijdens een bungeejump vanaf een brug. Het koord is gebroken en de persoon is in het water gestort. De door verzoekster gemaakte film van dit voorval kon worden opgeroepen via de website van verweerder (de Société du Journal L’Est Républicain). Verzoekster heeft betoogd dat op die website ook een stilstaand beeld uit haar film te zien is geweest. Verzoekster heeft betoogd dat de film en het beeld beschermd zijn krachtens het auteursrecht en dat verweerder, door ze openbaar te maken, inbreuk heeft gemaakt op haar uitsluitende recht om over de film en het beeld te beschikken. Verzoekster heeft bij de rechter in eerste aanleg verzocht om verweerder te veroordelen tot betaling van schadevergoedingen en de proceskosten van verzoekster. Verweerder heeft de vordering van verzoekster bestreden en gevorderd dat zij wordt veroordeeld in haar kosten. De rechter in eerste aanleg heeft verzoekster schadeloosstelling toegekend voor een totaalbedrag van €1.101,-. Verzoekster ging hiertegen in hoger beroep en vorderde wederom de door haar in eerste aanleg gemaakte proceskosten. Tot staving van haar hoger beroep heeft verzoekster aangevoerd dat haar vorderingen in eerste aanleg op alle punten zijn toegewezen en dat zij slechts op ondergeschikte punten in het ongelijk is gesteld. Verweerder heeft tegen het hoger beroep verweer gevoerd en daartoe dezelfde argumenten aangevoerd als in eerste aanleg. 

Overweging: In de onderhavige zaak heeft de rechter in eerste aanleg verzoeksters vorderingen niet volledig toegewezen. Op grond van intern Zweeds recht zou er aanleiding kunnen bestaan om, zoals de rechter in eerste aanleg heeft gedaan, gelet op de uitkomst van de zaak de uitzonderingsregel voor de veroordeling in de kosten toe te passen. De verordening bepaalt echter dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt veroordeeld. Dat zou kunnen worden gezien als een algemene regel waarop geen uitzonderingen kunnen worden gemaakt, omdat artikel 16 van de verordening niet preciseert wat bij voorbeeld geldt wanneer partijen zowel in het gelijk als in het ongelijk worden gesteld ingeval in de zaak meerdere vorderingen zijn ingediend of ingeval een vordering ten dele wordt toegewezen. Het is niet duidelijk of de verwijzing naar het nationale recht in overweging 29 van de verordening enkel geldt voor de vaststelling van de omvang van de kosten of ook voor de verdeling ervan. Het is niet duidelijk, hoe het recht van de Unie in de omstandigheden van de onderhavige zaak moet worden uitgelegd, zodat moet worden overgegaan tot prejudiciële verwijzing. 

Prejudiciële vragen: 

1. Staat artikel 16 van verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen, in de weg aan toepassing van een bepaling van nationaal recht op grond waarvan de veroordeling in de proceskosten achterwege kan worden gelaten of kan worden verlaagd op grond dat partijen ten dele in het gelijk en ten dele in het ongelijk worden gesteld, wanneer in de zaak meerdere vorderingen zijn ingediend of wanneer een vordering slechts ten dele wordt toegewezen? 

2. In geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag: wat moet onder het begrip „in het ongelijk gestelde partij” in artikel 16 van voormelde verordening worden verstaan?