IEFBE 2376

Vragen aan HvJEU: Uitleg mbt het "recht op het laten verwijderen van koppelingen"

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJEU 19 juli 2017, IT&R 2371; IEFbe 2376; C-507/17 (Google). Bescherming persoonsgegevens. Via MinBuZa: Verzoeker (Google) verzoekt de hoogste bestuursrechter om het besluit van verweerder (de Franse gegevensbeschermingsautoriteit) nietig te verklaren. Subsidiair wordt verzocht de behandeling van de zaak te schorsen om het Hof een vraag te stellen over de uitlegging van artikel 4 en 28 van richtlijn 95/46. Bij besluit van 21.05.2015 heeft verweerder, waarbij zij een verzoek van een natuurlijke persoon toewees om de resultatenlijst met koppelingen naar webpagina’s die na een zoekopdracht op zijn naam werd weergegeven te verwijderen, verzoeker aangemaand deze verwijdering toe te passen op alle domeinnaam-extensies van haar zoekmachine. Na te hebben vastgesteld dat verzoeker niet binnen de gestelde termijn gevolg had gegeven aan deze aanmaning, heeft verweerder in kleine samenstelling, bij besluit van 10.03.2016, verzoeker een openbaar gemaakte geldboete van €100.000,- opgelegd. Verzoeker vordert nietigverklaring van dit besluit. De interveniërende partijen (Wikimedia Foundation Inc., Fondation pour la liberté de la presse, Microsoft, Reporters Committee for Freedom of the Press, Article 19, en Internet Freedom Foundation) hebben allen bij memorie in interventie de hoogste bestuursrechter verzocht de conclusies van het verzoekschrift van verzoeker toe te wijzen. Samengevat stellen de interveniërende partijen en verzoeker: a) dat verweerder niet bevoegd was om het bestreden besluit te nemen met betrekking tot verwerkingen die niet op Frans grondgebied zijn uitgevoerd; b) dat het bestreden besluit onevenredig inbreuk maakt op de vrijheden van meningsuiting, informatie, communicatie en pers; c) dat het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd is en feitelijke alsmede juridische onjuistheden bevat; d) dat het bestreden besluit inbreuk maakt op de bescherming van het internet; e) dat het bestreden besluit het beginsel van internationale hoffelijkheid en soevereiniteit van andere staten miskent. Verweerder concludeert tot afwijzing van het verzoekschrift en verzoekt de hoogste bestuursrechter, subsidiair, de behandeling van de zaak te schorsen om het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de territoriale werkingssfeer van het recht op het laten verwijderen van koppelingen. Zij voert aan dat de opgeworpen middelen ongegrond zijn.

Overweging: De vraag of het ‘recht op het laten verwijderen van koppelingen’ aldus moet worden uitgelegd dat een exploitant van een zoekmachine, wanneer hij een verzoek tot het laten verwijderen van koppelingen inwilligt, gehouden is deze verwijdering toe te passen op alle domeinnamen van zijn zoekmachine, zodat de litigieuze koppelingen niet meer verschijnen ongeacht de plaats waarvandaan de zoekopdracht op de naam van de verzoeker wordt gegeven, ook als dat buiten de territoriale werkingssfeer van richtlijn 95/46 is, doet een ernstige moeilijkheid rijzen bij de uitlegging van het recht van de EU. Indien deze eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, doet de vraag of het ‘recht op het laten verwijderen van koppelingen’ aldus moet worden uitgelegd dat de exploitant van een zoekmachine alleen gehouden is de litigieuze koppelingen te verwijderen uit de resultaten die worden weergegeven na een zoekopdracht op de naam van de verzoeker op de domeinnaam die overeenkomt met de staat waarvandaan de zoekopdracht wordt geacht te zijn gegeven, dan wel, ruimer, op de domeinnamen van de zoekmachine die overeenkomen met de nationale extensies van deze zoekmachine voor alle lidstaten van de Europese Unie, een tweede ernstige moeilijkheid rijzen bij de uitlegging van het recht van de EU. Voorts doet de vraag of, naast de in het vorige punt genoemde verplichting, het ‘recht op het laten verwijderen van koppelingen’ aldus moet worden uitgelegd dat de exploitant van een zoekmachine die een verzoek tot het laten verwijderen van koppelingen inwilligt gehouden is om, via ‘geoblocking’ vanaf een IP-adres dat wordt geacht zich te bevinden in de woonstaat van de persoon die het ‘recht op het laten verwijderen van koppelingen’ geniet, de litigieuze koppelingen te verwijderen uit de resultaten die worden weergegeven na een zoekopdracht op zijn naam, of zelfs, algemener, vanaf een IP-adres dat wordt geacht zich te bevinden in een van de aan richtlijn 95/46 onderworpen lidstaten, ongeacht de door de internetgebruiker die de zoekopdracht geeft gebruikte domeinnaam, een derde ernstige moeilijkheid rijzen bij de uitlegging van het recht van de EU. Deze vragen zijn van doorslaggevend belang voor de oplossing van het geding waarover de Conseil d’État moet beslissen.

Prejudiciële vragen:

1) Moet de vraag of het „recht op het laten verwijderen van koppelingen”, zoals door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 13 mei 2014 erkend op grond van de bepalingen van de artikelen 12, onder b), en 14, onder a), van richtlijn [95/46], aldus worden uitgelegd dat de exploitant van een zoekmachine, wanneer hij een verzoek tot het laten verwijderen van koppelingen inwilligt, gehouden is deze verwijdering toe te passen op alle domeinnamen van zijn zoekmachine, zodat de litigieuze koppelingen niet meer verschijnen ongeacht de plaats waarvandaan de zoekopdracht op de naam van de verzoeker wordt gegeven, ook als dat buiten de territoriale werkingssfeer van richtlijn [95/46] is?
2) Indien deze eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet dan de vraag of het „recht op het laten verwijderen van koppelingen”, zoals door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn voornoemde arrest erkend, aldus worden uitgelegd dat de exploitant van een zoekmachine, wanneer hij een verzoek tot het laten verwijderen van koppelingen inwilligt, alleen gehouden is de litigieuze koppelingen te verwijderen uit de resultaten die worden weergegeven na een zoekopdracht op de naam van de verzoeker op de domeinnaam die overeenkomt met de staat waarvandaan de zoekopdracht wordt geacht te zijn gegeven, dan wel, ruimer, op de domeinnamen van de zoekmachine die overeenkomen met de nationale extensies van deze zoekmachine voor alle lidstaten van de Europese Unie?
3) Moet voorts, naast de in 2° genoemde verplichting, het „recht op het laten verwijderen van koppelingen”, zoals door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn voornoemde arrest erkend, aldus worden uitgelegd dat de exploitant van een zoekmachine die een verzoek tot het laten verwijderen van koppelingen inwilligt gehouden is om, via de techniek van zogeheten „geoblocking”, vanaf een IP-adres dat wordt geacht zich te bevinden in de woonstaat van de persoon die het „recht op het laten verwijderen van koppelingen” geniet, de litigieuze koppelingen te verwijderen uit de resultaten die worden weergegeven na een zoekopdracht op zijn naam, of zelfs, algemener, vanaf een IP-adres dat wordt geacht zich te bevinden in een van de aan richtlijn [95/46] onderworpen lidstaten, ongeacht de door de internetgebruiker die de zoekopdracht geeft gebruikte domeinnaam?