IEFBE 3185

Grondwettelijk Hof: opslaan vingerafdrukken identiteitskaarten geen privacyschending

Grondwettelijk hof - Cour constitutionelle 14 jan 2021, IEFBE 3185; http://www.ie-forum.be/artikelen/grondwettelijk-hof-opslaan-vingerafdrukken-identiteitskaarten-geen-privacyschending

Grondwettelijk Hof 14 januari 2021, IEFbe 3185; nr. 2/2021 (Parti Libertarien, Liga voor Mensenrechten en Ligue des droits humains) Door meerdere partijen, waaronder de Parti Libertarien en de Liga voor Mensenrechten, is een verzoekschrift ingediend bij het Hof ter vernietiging van artikel 27 van de wet dat voorziet in het integreren van het digitale beeld van vingerafdrukken in de identiteitskaart. Het Hof verwerpt het verzoek. De inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens wordt volgens het Hof gerechtvaardigd door het doel identiteitsfraude te bestrijden. De waarborgen omtrent de maatregel zorgen ervoor dat er geen onevenredige gevolgen zijn voor de rechten van de betrokken personen. De vingerafdrukken van de houders van een identiteitskaart worden niet in een centraal register doorgevoerd en de autoriteiten die toegang hebben tot deze gegevens zijn limitatief. Ter beveiliging van de gegevens staat het aan de uitvoerende macht om hiervoor de benodigde maatregelen te nemen. Verder acht het Hof het niet nodig om prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitite over de geldigheid van de Europese verordening, die voorziet in een soortgelijke maatregel op Europees niveau.

IEFBE 3189

Raad van de EU bepaalt standpunt over e-privacyregels

De lidstaten zijn het eens geworden over een onderhandelingsmandaat voor nieuwe regels voor de bescherming van de privacy en de vertrouwelijkheid bij het gebruik van elektronische-communicatiediensten. De nieuwe e-privacy-regels zullen bepalen wanneer dienstverleners elektronische-communicatie­gegevens mogen verwerken of toegang krijgen tot gegevens op apparatuur van eindgebruikers. Nu er een akkoord is, kan het Portugese voorzitterschap met het Europees Parlement gaan onderhandelen over de definitieve tekst.
Lees verder.

IEFBE 3188

Onderzoek wijst op economische voordelen van bezit IE-rechten

Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) heeft een rapport gepubliceerd over het verband tussen eigendom van intellectuele eigendomsrechten en economische prestaties binnen individuele bedrijven in heel Europa.

De studie concludeert dat er een positieve associatie bestaat tussen IER-eigendom en economische prestaties, waarbij de inkomsten per werknemer gemiddeld 55% hoger zijn voor IER-eigenaren dan voor niet-eigenaren. In België, een sterke innovator volgens het jaarlijkse European Innovation Scoreboard van de Europese Commissie, hebben kleine en middelgrote ondernemingen een van de hoogste percentages patentbezit in Europa.
Lees verder.

IEFBE 3187

Stakingsbevel vervaardigen "WeaponLogic"

Brussel - Bruxelles(Fr./Nl.) 18 dec 2020, IEFBE 3187; (FN Herstal contre Secubit Ltd. et Secubit Inc.), http://www.ie-forum.be/artikelen/stakingsbevel-vervaardigen-weaponlogic

Tribunal de l’entreprise francophone de Bruxelles 18 décembre 2020, IEFbe 3187; A/19/02292 (FN Herstal contre Secubit Ltd. et Secubit Inc.) Procédure en contrefaçon du brevet EP’292 de FN Herstal et portant sur un dispositif pour la détection et le comptage de coups tirés par une arme à feu automatique ou semi-automatique, capable de discriminer le « type » de munition utilisé. Demande reconventionnelle en nullité (partielle) du brevet.

Validité du brevet invoqué : Le brevet invoqué par FN Herstal remplit les conditions de nouveauté et d’activité inventive. L’invention est par ailleurs suffisamment divulguée, la description permettant à l’homme du métier de la comprendre et de la reproduire. A cet égard, le tribunal observe que la revendication vise la discrimination des types de munitions et non d’une munition à l’exclusion d’innombrables autres munitions, et que, de même, vu le contexte de la maintenance préventive des armes, le brevet s’interprète comme visant à distinguer au moins deux types de munitions (tir à balle réelle et tir à blanc).

Contrefaçon par les dispositifs de Secubit : FN Herstal a démontré que le dispositif qualifié d’ « ancien » par Secubit constitue une contrefaçon ; il reproduit chacune des dix caractéristiques de la revendication 1 du brevet invoqué. Le « nouveau dispositif » dont le fonctionnement se distinguerait de l’ancien, contrefait la technologie brevetée dans au moins une de ses formes, i.e. lorsqu’il contient un « accéléromètre (sensible dans la direction axiale du canon), destiné à prendre des mesures utilisées pour compter des coups tirés », cet accéléromètre étant un élément essentiel de l’invention brevetée. Tant l’ancien que le nouveau dispositif ont été offerts en vente sur le territoire belge. Le tribunal retient à cet égard que les deux versions successives du site Internet de Secubit contiennent une offre en Belgique du dispositif litigieux : la plus récente en raison de la mention « Belgium » parmi les « Selling locations », et la version antérieure parce qu’elle visait tous les pays sans distinction tout en donnant l’impression que les produits pouvaient être commandés depuis la Belgique ou plus amplement renseignés à un client potentiel en Belgique (à titre complémentaire, le tribunal relève une offre indirecte en raison d’une documentation commerciale remise à un armurier belge et transmise par celui-ci à un client belge potentiel).

Ordre de cessation: Le tribunal prononce donc un ordre de cessation, interdisant à Secubit de fabriquer, d’offrir, de mettre dans le commerce, d’utiliser, ou bien d’importer ou de détenir aux fins précitées, sur le territoire belge, un dispositif en mesure de discriminer le « type » de munition utilisé et contenant un « accéléromètre (sensible dans la direction axiale du canon), destiné à prendre des mesures utilisées pour compter des coups tirés ». L’ordre de cessation est assorti d’une astreinte de 5000 € par dispositif contrefaisant fabriqué, offert, vendu, livré, utilisé, importé ou détenu par Secubit sur le territoire belge et par jour pendant lequel l’infraction perdure.

IEFBE 3183

Prejudiciële vragen over begrip 'op welke drager dan ook'

7 sep 2020, IEFBE 3183; (Austro-Mechana tegen Strato AG), http://www.ie-forum.be/artikelen/prejudici-le-vragen-over-begrip-op-welke-drager-dan-ook

Oberlandesgericht Wien 7 september 2020, IEF 19748, IT 3398, IEFbe 3183; C-433/20 (Austro-Mechana tegen Strato AG) Via MinBuza. Verzoekster is een collectieve beheerorganisatie die exploitatierechten en rechten op vergoeding voor muziekwerken beheert. Verweerster exploiteert de dienst HiDrive, deze “cloud drive” is een “virtuele opslagruimte die even snel werkt en even gebruiksvriendelijk is als een (externe) harde schijf”. Verzoekster heeft gevorderd dat rekening en verantwoording zou worden afgelegd en dat vervolgens een vergoeding voor lege opslagmedia zou worden betaald. Verweerster betwist de vordering en voert aan dat uit de thans geldende versie van de auteurswet niet volgt dat voor cloudservices een vergoeding is verschuldigd. Verder zouden cloudservices en fysieke opslagmedia niet met elkaar kunnen worden vergeleken. De handelsrechter heeft de vordering afgewezen waarop verzoekster in hoger beroep ging. 

IEFBE 3182

HvJ EU: verbod op reclame kan in strijd zijn met Unierecht

3 feb 2021, IEFBE 3182; ECLI:EU:C:2021:89 (Fussl Modestraße Mayr tegen SevenOne Media ), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-verbod-op-reclame-kan-in-strijd-zijn-met-unierecht

HvJ EU 3 februari 2021, IEF 19747, RB 3485, IEFbe 3182; ECLI:EU:C:2021:89 (Fussl Modestraße Mayr GmbH tegen SevenOne Media GmbH) Televisieomroep. Gelijke behandeling. Het Hof verklaart dat een volledige verbod, waardoor de inkomsten uit regionale televisiereclame worden voorbehouden aan regionale en lokale zenders, mogelijkerwijs verder dan noodzakelijk is om een gevarieerd televisieaanbod te behouden en kan leiden tot een ontoelaatbare ongelijkheid tussen de landelijke televisieomroepen en de aanbieders van reclamediensten op internet.

IEFBE 3184

Prejudiciële vraag: advocaatkosten 'noodzakelijke uitgaven'?

6 okt 2020, IEFBE 3184; (Media GmbH tegen FU), http://www.ie-forum.be/artikelen/prejudici-le-vraag-advocaatkosten-noodzakelijke-uitgaven

Landgericht Saarbrücken 6 oktober 2020, IEF 19749, IT 3399, IEFbe 3184 C-559/20 (Media GmbH tegen FU) Via MinBuza. De kernvraag in deze zaak betreft de vergoeding van de advocatenkosten voor een aanmaning wegens filesharing. Verzoekster verkoopt computerspellen voor commerciële doeleinden en is houdster van de exclusieve rechten van een specifiek computerspel. Verweerder is een natuurlijke persoon die geen professionele of commerciële doeleinden nastreeft en die dit computerspel voor derden beschikbaar heeft gesteld voor download. Hiermee heeft hij inbreuk gepleegd op de rechten van verzoekster. Verzoekster schakelde een advocatenkantoor in dat namens verzoekster een aanmaning naar verweerder heeft gestuurd. Voor het inschakelen van het advocatenkantoor heeft verzoekster kosten gemaakt (€984,60) dat als volgt is samengesteld: een 1,3 honorarium berekend over een waarde van de vordering van €20.000,-. De hoogte van dit bedrag wordt betwist. De rechter in eerste aanleg heeft verweerder veroordeeld tot betaling van €124,- en de vordering voor het overige afgewezen. Volgens de rechter in eerste aanleg is het vergoedbare bedrag van een vordering beperkt tot €1.000,- op grond van §97a(3) UrhG (Duitse wet inzake het auteursrecht). Met haar beroep voor de verwijzende rechter wil verzoekster haar vordering tot volledige vergoeding van haar advocatenkosten alsnog geldend maken.

Prejudiciële vragen:

IEFBE 3179

Geen auteursrecht 'Feather Cuff' armband

Brussel - Bruxelles(Fr./Nl.) 21 jan 2021, IEFBE 3179; (SaS Ohara tegen Tawo), http://www.ie-forum.be/artikelen/geen-auteursrecht-feather-cuff-armband

Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel 21 januari 2021, IEFbe 3179; A/20/00973 (Ohara tegen Towa) [Vervolg op IEFbe 3110]. Philippe Audibert ontwerpt mode-accessoires waaronder juwelen, die wereldwijd verkocht worden door zijn onderneming Ohara. Tawo verkoopt eveneens juwelen. Ohara stelt dat Tawo producten op de markt brengt die identiek zijn aan hun “Feather Cuff” armbanden. In de dagvaarding is de vordering gesteund op de Gemeenschapsmodelrechten en auteursrechten die zij zouden hebben op het zogenaamde 'AHE model'. Ohara stelt zich daarbij op het standpunt dat het oorspronkelijk karakter van de armband wordt gevormd doordat de auteur bewust zou hebben gekozen voor strakke en ongebogen vederharen die vanuit de spoel van de veer schuin naar de zijkanten lopen. Geoordeeld wordt dat van oorspronkelijkheid van de armband niet gesproken kan worden. Het volstaat niet om banale elementen te combineren om een oorspronkelijk werk te creëren. Towa heeft daarnaast op voldoende wijze aannemelijk kunnen maken dat de armbanden behoren tot een stijl, de zogenaamde 'Navajo-cultuur'. Gelet op de afwezigheid van het bestaan van auteursrechten wordt de vordering van Ohara dan ook afgewezen. 

IEFBE 3181

Gebruik label Château Pétrus onrechtmatig

Henegouwen(afd. Bergen) - Hainaut(div.Mons) 6 jan 2021, IEFBE 3181; (Château Pétrus tegen X), http://www.ie-forum.be/artikelen/gebruik-label-ch-teau-p-trus-onrechtmatig

Tribunal de première instance (correctionnel) du Hainaut, division Charleroi 6 janvier 2021, 19C000951 (Petrus contre X) Contrefaçon par importation de plus de 3000 étiquettes de vin « Château Petrus ». Constitution de partie civile par le titulaire de la marque « Château Petrus », notamment du chef de contrefaçon de sa marque figurative renommée (forme et graphisme de l’étiquette de vin). 

Poursuites recevables : la collaboration, lors de la saisie de la marchandise contrefaite à l’aéroport de Gosselies (Charleroi), entre les autorités douanières et le titulaire de la marque n’est pas contraire au principe du procès équitable prévu à l’article 6.1. de la CEDH. 

Délit de contrefaçon établi : l’importation constitue un « usage » non autorisé de la marque au sens de la CBPI. L’usage relève de la « vie des affaires » dès lors qu’il s’inscrit dans un activité commerciale visant l’obtention un avantage économique. La marque figurative « Château Pétrus » contrefaite étant une marque renommée, l’usage de celle-ci peut être prohibé même pour des produits différents que les produits désignés, tels que par exemple les objets de décoration. Le prévenu entendait tirer indûment profit de la renommée et du pouvoir distinctif de la marque, l’acquisition des étiquettes ayant été faite dans le but de revendre des objets décoratifs revêtus de ces étiquettes, à haut prix. Le dommage moral subi par le titulaire de la marque est indemnisé à concurrence d’un montant forfaitaire de 10 € par étiquette contrefaisante.

IEFBE 3180

HvJ EU over de informatie die op cosmeticaproducten moet zijn aangebracht

17 dec 2020, IEFBE 3180; ECLI:EU:C:2020:1039 (A.M. tegen E.M.), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-over-de-informatie-die-op-cosmeticaproducten-moet-zijn-aangebracht

HvJ EU 17 december 2020, IEF 19742, RB 3484, IEFbe 3180; ECLI:EU:C:2020:1039 (A.M. tegen E.M.) A.M. is eigenaar van een schoonheidssalon en kocht bij distributeur E.M. cosmetische producten van een Amerikaanse fabrikant. A.M. heeft een opleiding gevolgd die werd gegeven over de producten die E.M. verkocht, waarbij ook de etikettering van die producten aan bod kwam. A.M. kocht na deze opleiding diverse cosmetische producten bij E.M. A.M. beëindigde de overeenkomst, omdat de verkochte waar gebreken vertoonde. A.M. voert daarbij aan dat de verpakking van de cosmetische detailhandelsproducten geen informatie vermeldt in het Pools over de functie van het product, te weten de vermeldingen die voortvloeien uit artikel 19, lid 1, onder f), en lid 5, van verordening nr. 1223/2009. E.M. verzekerde echter dat de producten weldegelijk geëtiketteerd waren overeenkomstig de geldende bepalingen. Op de producten is een symbool aangebracht dat een hand met een open boek voorstelde en dat de eindgebruiker van het product verwees naar een bijsluiter, in casu een catalogus in het Pools. In deze omstandigheden heeft de rechter besloten hierover het Hof prejudiciële vragen te stellen. Mede gelet op het oogmerk om de voorschriften inzake de etikettering van cosmetische producten uitputtend te harmoniseren, wordt geoordeeld dat niet is voldaan aan de neergelegde verplichting om op de verpakking informatie aan te brengen over de functie van het cosmetisch product.

IEFBE 3178

HvJ EU beantwoordt prejudiciële vragen beoordelingsdatum vervallenverklaring

17 dec 2020, IEFBE 3178; ECLI:EU:C:2020:1044 (Husqvarna tegen Lidl E-Commerce), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-beantwoordt-prejudici-le-vragen-beoordelingsdatum-vervallenverklaring

HvJ EU 17 december 2020, IEF 19733, IEFbe 3178; ECLI:EU:C:2020:1044 (Husqvarna tegen Lidl E-Commerce) [Vervolg op IEF 18791]. Het Bundesgerichtshof van Duitsland heeft aan het HvJ EU vragen gesteld inzake de uitleg van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 betreffende de berekening van de periode van niet-gebruik van een merk. Duits recht bepaalt dat bij de berekening van de periode van gebruik van vijf jaar het tijdstip van instelling van de (reconventionele) vordering als uitgangspunt dient. Eindigt de periode van vijf jaar van niet-gebruik echter pas na instelling van deze vordering, dan moet worden uitgegaan van het tijdstip van de sluiting van de pleitzitting. Geoordeeld wordt dat artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 zich ertegen verzet dat het tijdstip van de sluiting van pleitzitting in aanmerking moet worden genomen als beoordelingsdatum, omdat die keuze zou stroken met de doelstelling om merken alleen te beschermen wanneer zij daadwerkelijk worden gebruikt en met de doelstelling van doeltreffendheid van de procedures. Het tijdstip dat de (reconventionele) vordering is ingesteld, dient dus in aanmerking te moeten worden genomen om vast te stellen of de in die bepaling bedoelde ononderbroken periode van vijf jaar is verstreken.

IEFBE 3177

Derdenverzet tegen beslag inzake namaak is ongegrond

15 okt 2020, IEFBE 3177; (Neoscan en S. tegen Bruker Belgium), http://www.ie-forum.be/artikelen/derdenverzet-tegen-beslag-inzake-namaak-is-ongegrond

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 15 oktober 2020, IEFbe; 20/62/C (Neoscan en S. tegen Bruker Belgium) Beschikking. De heer S, tweede eiser op derdenverzet, was eerst oprichter en later werknemer van de NV Bruker Belgium (“Bruker”) verweerster op derdenverzet. In maart 2019 nam de heer S ontslag bij Bruker en in april 2019 richtte hij de BV Neoscan (“Neoscan”) op, die actief is in hetzelfde marktsegment als Bruker, namelijk het segment van microCT scanners en de bijhorende scan-, reconstructie- en visualisatiesoftware. Reeds in januari 2020 bracht Neoscan haar twee eerste systemen op de markt met bijhorend softwarepakket.  Bruker stelde vast dat er grote gelijkenissen waren met de software van haar eigen systemen en diende een eerste verzoekschrift tot beslag inzake namaak bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van Antwerpen, dat gericht was tegen Neoscan. Dat beslag inzake namaak vond plaats op 11 juni 2020.

IEFBE 3174

Schending auteursrechtelijk stelplicht leidt tot nietige dagvaarding

Brussel - Bruxelles(Fr./Nl.) 30 jul 2020, IEFBE 3174; (Soclothes tegen Studio 10), http://www.ie-forum.be/artikelen/schending-auteursrechtelijk-stelplicht-leidt-tot-nietige-dagvaarding

Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel 30 juli 2020, EFbe 3164; A/19/00480 (Soclothes tegen Studio 10) Soclothes bracht gebreide “tricot” kledij op de markt onder het merk “Valentine Witmeur”. Studio 10 verkoopt loshangende gebreide truien onder het merk “Lee and Me” met als stijlkenmerken contrasterende kleurblokken en strepen op de mouwen. Soclothes beweerde dat Studio 10 de truien van Valentine Witmeur reproduceerde of minstens adapteerde, daarmee haar auteursrechten schond en zich schuldig maakte aan oneerlijke marktpraktijken. Soclothes had evenwel in haar dagvaarding nagelaten in concreto de truien te identificeren waarvoor zij auteursrechtelijke bescherming opeiste en welke truien precies een inbreuk zouden maken op de beweerde auteursrechtelijk beschermde truien. De vage en algemene bewoordingen van de dagvaarding en het gebrek aan precisie bij het formuleren van de vorderingen vormde, aldus de rechter, een schending van de rechten van verdediging van Studio 10. De dagvaarding werd zodoende nietig verklaard ingevolge art. 702,3° Ger.W.

IEFBE 3176

Noot Paul Geerts onder Kogellagers en mk advokaten

Paul Geerts, Noot onder HvJ EU 30 april 2020, ECLI:EU:C:2020:341 (Kogellagers) [IEF 19182] en HvJ EU 2 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:519 (mk advokaten/MBK Rechtsanwälte) [IEF 19317]; gepubliceerd in IER 2020/53 en IER 2020/54.

1. De inbreukcriteria onder art. 5 lid 1 sub a en b (oud) MRl vereisen dat een derde (i) gebruik maakt van het merk of overeenstemmend teken in (ii) het economisch verkeer.  Beide vereisten staan in de hier te bespreken arresten centraal. Uit al eerder gewezen jurisprudentie blijkt dat het Hof beide vereisten ruim uitlegt.

2. Wel is het zo dat het Hof aan het gebruik een ondergrens heeft gesteld. Het gebruik van een teken impliceert dat de betrokken marktdeelnemer het teken in het kader van zijn eigen commerciële communicatie gebruikt en dat sprake is van een actieve gedraging.

3. In het Google/Louis Vuitton-arrest is beslist dat het gebruik van een teken op zijn minst impliceert dat de betrokken marktdeelnemer het teken in het kader van zijn eigen commerciële communicatie gebruikt. Daar zal al snel sprake van zijn. Uitzonderingen zijn echter denkbaar.
Lees verder.

IEFBE 3175

Geen auteursrecht voor ingebouwde stopcontacten

Gent(afd. Gent) - Gand(div. Gand) 9 sep 2020, IEFBE 3175; (Creative 4 tegen Van Den Weghe), http://www.ie-forum.be/artikelen/geen-auteursrecht-voor-ingebouwde-stopcontacten

Ondernemingsrechtbank Gent 9 september 2020, IEFbe 3175; A/19/02879 (Creative 4 tegen Van Den Weghe) Creative 4 (“C4”) claimt auteursrechten op geïntegreerde en verzonken stopcontacten gecommercialiseerd onder de naam “TRIMLESS”. Zij beweert dat de “Lapris” stopcontacten van VAN DEN WEGHE een inbreuk uitmaken. C4 slaagt er volgens de rechtbank niet in aan te geven welke waarneembare vormkenmerken van de TRIMLESS stopcontacten precies auteursrechtelijke bescherming toekomen. Volgens de rechtbank betreffen de TRIMLESS stopcontacten louter een werkwijze om een bepaald technisch effect te bereiken. C4 heeft als dusdanig geen authentieke vormgevingskeuzes kunnen maken. Bij toepassing van de zogenaamde “techniekrestrictie” kwalificeren de TRIMLESS stopcontacten bijgevolg niet als een auteursrechtelijk beschermd werk. Daar C4 er eveneens niet in slaagt om begeleidende omstandigheden voor te leggen die aantonen dat C4 werkelijk schade leidt door de aanwezigheid op de markt van de Lapris, faalt ook haar vordering wegens schending van de eerlijke marktpraktijken.

IEFBE 3173

Conclusie A-G in Mircom tegen Telenet

HvJ EU - CJUE 17 dec 2020, IEFBE 3173; ECLI:EU:C:2020:1063 (Mircom tegen Telenet BVBA), http://www.ie-forum.be/artikelen/conclusie-a-g-in-mircom-tegen-telenet

HvJ EU Conclusie A-G 17 december 2020, IEF 19712, IT 3381, IEFbe 3173; ECLI:EU:C:2020:1063 (Mircom tegen Telenet BVBA) Verzoek om een prejudiciële beslissing van de ondernemingsrechtbank Antwerpen. Richtlijn 2001/29/EG, artikel 3, lid 1. Begrip ‚mededeling aan het publiek’. Downloaden van een bestand met een beschermd werk via een peer-to-peernetwerk en gelijktijdige terbeschikkingstelling van de onderdelen van dat bestand ter upload voor andere gebruikers.
Antwoorden van A-G Szpunar:

IEFBE 3172

Geen gevaar voor verwarring tussen HALLOUMI en BBQLOUMI

Gerecht EU - Tribunal UE 20 jan 2021, IEFBE 3172; (Halloumi tegen Bbqloumi), http://www.ie-forum.be/artikelen/geen-gevaar-voor-verwarring-tussen-halloumi-en-bbqloumi

Gerecht EU 20 januari 2021, IEF 19711; IEFbe 3172; T-328/17 (Halloumi tegen Bbqloumi) Persbericht. Het Gerecht bevestigt dat er geen gevaar voor verwarring bestaat tussen het collectieve merk HALLOUMI, voorbehouden aan de leden van een Cypriotische vereniging voor de bescherming van de traditionele kaas van Cyprus, en het teken 'BBQLOUMI' dat dient om de producten van een Bulgaars bedrijf aan te duiden.

IEFBE 3170

Conclusie A-G in zaak Facebook Ireland and Others

13 jan 2021, IEFBE 3170; ECLI:EU:C:2021:5 (Facebook Ireland and Others), http://www.ie-forum.be/artikelen/conclusie-a-g-in-zaak-facebook-ireland-and-others

HvJ EU Conclusie A-G 13 januari 2021, IEF 1970g, IT 3377, IEFbe 3170; ECLI:EU:C:2021:5 (Facebook Ireland tegen Gegevensbeschermingsautoriteit) Op 11 september 2015 heeft de gegevensbeschermingsautoriteit van België een procedure ingesteld tegen Facebook Ltd bij de rechtbank Brussel. De procedure betreft vermeende inbreuken op de wetgeving inzake gegevensbescherming door Facebook, die onder andere inhouden dat op onrechtmatige wijze informatie over het surfgedrag van internetgebruikers in België wordt verzameld en gebruikt. De gegevensbeschermingsautoriteit heeft verzocht Facebook te veroordelen tot staking van het zonder hun toestemming plaatsen van cookies die gedurende twee jaar actief blijven op de apparatuur die zij gebruiken wanneer zij op een webpagina van het Facebook.com-domein of op de website van een derde surfen.

IEFBE 3171

Wil van partijen primeert interpretatieregels

Antwerpen - Anvers 13 jan 2021, IEFBE 3171; (X tegen Directlease ), http://www.ie-forum.be/artikelen/wil-van-partijen-primeert-interpretatieregels

Hof van beroep Antwerpen 13 januari 2021, IEF 19705, IEFbe 3171; 2020/AR/133 (X tegen Directlease) Appellanten zijn een autojournalist en de vennootschap waarin de journalist zijn activiteiten heeft ondergebracht. Geïntimeerde, Directlease NV is een leasemaatschappij. Appellanten stellen dat Directlease haar auteursrechten op 6.200 artikelen (en 809 foto’s) heeft geschonden door de reproductie en de mededeling aan het publiek van deze werken zonder toestemming van appellanten op de website van Directlease. In 2014 hadden appellanten ook een vordering ingesteld tegen Directlease wegens schending van auteursrechten. Partijen sloten toen een dading waarbij Directlease zich er onder meer toe verbond om “een vergoeding van 35.000 EUR te betalen voor het laatstgenoemde gebruik van diens werken in de periode van september 2010 t/m 2014”. 

IEFBE 3169

Gerecht EU: geen verwarringsgevaar merk Athlon

15 okt 2020, IEFBE 3169; ECLI:EU:T:2020:488 (Decathlon tegen Athlon Custom Sportswear PC), http://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-geen-verwarringsgevaar-merk-athlon

Gerecht EU 15 oktober 2020, IEF 19695, IEFbe 3169; ECLI:EU:T:2020:488 (Decathlon tegen Athlon Custom Sportswear PC) Op 14 december 2016 heeft Athlon een aanvraag gedaan bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) voor de registratie van een Uniemerk, in de klassen 25 'kleding, hoeden' en 28 'sportartikelen- en apparatuur'. Op 14 april 2017 heeft Decathlon hiertegen oppositie ingesteld, op grond van artikel 41 van de Verordening (EG) nr. 207/2009. De oppositie wordt gebaseerd op het Unie-woordmerk Decathlon, dat geregistreerd staat sinds 28 april 2004, eveneens voor de klasse 25. In eerste instantie wordt de oppositie gegrond verklaard, omdat er sprake zou zijn van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8 lid 1 sub b van de Verordening (EG) 2017/1001. De Kamer van beroep vernietigt echter deze beslissing. Hiertegen richt zich de vordering van Decathlon. Zij eist dat de beslissing op de oppositie in stand wordt gehouden. De vraag is of verwarringsgevaar bestaat tussen de twee merken. De vordering wordt afgewezen. Er zijn weinig visuele gelijkenissen tussen de merken en er is sprake van een weinig onderscheidend vermogen van het merk van Decathlon. Voor het algemene, relevante publiek valt er geen verwarring te duchten.