IEFBE 2107

HvJ EU: Royalties en licentierechten niet opnemen in douanewaarde

HvJ EU 9 maart 2017, IEF 16642; LS&R 1434; IEFbe 2107; C-173/15; ECLI:EU:C:2017:195 (GE Healthcare tegen Hauptzollamt Düsseldorf) Royalties en licentierechten moeten niet worden opgenomen in de douanewaarde als niet vaststaat dat licentierechten voor merken verschuldigd zijn. HvJ EU:

1)      Artikel 32, lid 1, onder c) [DouaneVo] moet aldus worden uitgelegd dat dit artikel enerzijds niet verlangt dat het bedrag van de royalty’s of de licentierechten wordt vastgesteld op het tijdstip waarop de licentieovereenkomst wordt gesloten dan wel op het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat, teneinde deze royalty’s of licentierechten te kunnen aanmerken als betrekking hebbende op de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, en dat het anderzijds toestaat dat deze royalty’s of deze licentierechten worden geacht „betrekking [te hebben op] [...] de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald”, ook al houden die royalty’s of die licentierechten slechts gedeeltelijk verband met die goederen.

 

2)      Artikel 32, lid 1, onder c), van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1791/2006, en artikel 160 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1875/2006 van de Commissie van 18 december 2006, moeten aldus worden uitgelegd dat royalty’s of licentierechten een „voorwaarde voor de verkoop” van de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald vormen, wanneer – binnen eenzelfde groep van ondernemingen – de betaling van deze royalty’s of deze licentierechten wordt verlangd door een onderneming die verbonden is met zowel de verkoper als de koper en welke betaling ten behoeve van deze laatste onderneming wordt verricht.

3)      Artikel 32, lid 1, onder c) [DouaneVo] moeten aldus worden uitgelegd dat de aanpassings- en de toebedelingsmaatregelen waarin deze bepalingen respectievelijk voorzien, kunnen worden toegepast wanneer de douanewaarde van de betrokken goederen niet volgens artikel 29 van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd, maar aan de hand van de subsidiaire methode van artikel 31 van deze verordening is vastgesteld.

Gestelde vragen:

1)      Kunnen royalty’s of licentierechten, in de zin van artikel 32, lid 1, onder c), van [het douanewetboek], worden opgenomen in de douanewaarde, hoewel noch op het tijdstip waarop de overeenkomst is gesloten, noch op het voor het ontstaan van de douaneschuld relevante tijdstip, dat in casu op basis van de artikelen 201, lid 2, en 214, lid 1, van het douanewetboek moet worden bepaald, vaststaat dat royalty’s of licentierechten verschuldigd zullen zijn?

2)       Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, kunnen royalty’s en merklicentierechten, in de zin van artikel 32, lid 1, onder c), van het douanewetboek, betrekking hebben op ingevoerde goederen, hoewel deze royalty’s en licentierechten ook zijn betaald voor diensten en voor het gebruik van het teken dat het hoofdbestanddeel van de naam van het concern uitmaakt?

3)       Indien de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord, kunnen royalty’s en merklicentierechten, in de zin van artikel 32, lid 1, onder c), van het douanewetboek, een voorwaarde zijn voor de verkoop van de ingevoerde goederen voor uitvoer naar de Gemeenschap in de zin van artikel 32, lid 5, onder b), van het douanewetboek, hoewel de betaling van deze royalty’s en licentierechten is verlangd van een met de verkoper en de koper verbonden onderneming en welke betaling ook is verricht?

4)       Indien de derde vraag bevestigend moet worden beantwoord en ingeval de royalty’s en de licentierechten – zoals in casu – deels betrekking hebben op de ingevoerde goederen en deels op diensten die na de invoer zijn verricht, dient dan te worden geoordeeld dat de passende, slechts aan de hand van objectieve en meetbare gegevens te verrichten toedeling overeenkomstig artikel 158, lid 3, van [verordening nr. 2454/93], in samenhang gelezen met de in bijlage 23 bij [verordening nr. 2454/93] opgenomen notitie voor de interpretatie op artikel 32, lid 2, van het douanewetboek, ertoe leidt dat enkel een volgens artikel 29 van het douanewetboek bepaalde douanewaarde kan worden herzien, of kan in een situatie waarin geen douanewaarde volgens bedoeld artikel 29 kan worden vastgesteld, eveneens in geval van een met toepassing van artikel 31 van het douanewetboek te bepalen douanewaarde worden overgegaan tot de toedeling waarin artikel 158, lid 3, van [verordening nr. 2454/93] voorziet, indien die kosten anders niet in aanmerking zouden worden genomen?