IEFBE 2387

Jurisprudentielunch merken-, modellen-, auteursrecht op 22 november 2017

Op woensdag 22 november 2017 organiseert eduLex, onderdeel van deLex, wederom een intensieve jurisprudentielunch. Tijdens deze bijeenkomst bespreken Tobias Cohen Jehoram, Charles Gielen en Joris van Manen met u de belangrijkste uitspraken op het gebied van het merken-, modellen- en auteursrecht. Van iedere uitspraak wordt de essentie en het belang voor de praktijk besproken. In slechts drie uur tijd bent u volledig op de hoogte van de ontwikkelingen in de meest recente rechtspraak van het afgelopen half jaar. Onder andere de volgende uitspraken worden besproken:

IEFBE 2386

HvJ EU: Geen afwijzing merkinbreukvordering vanwege te kwader trouw zonder de reconventionele nietigverklaring toe te wijzen

HvJ EU - CJUE 19 okt 2017, IEFBE 2386; ECLI:EU:C:2017:776 (Hansruedi Raimund tegen Michaela Aigner), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-geen-afwijzing-merkinbreukvordering-vanwege-te-kwader-trouw-zonder-de-reconventionele-nietigv

HvJ EU 19 oktober 2017, IEF 17193; IEFbe 2386; ECLI:EU:C:2017:776; C-425/16 (Hansruedi Raimund tegen Michaela Aigner). Merkenrecht. Raimund is houder van het Uniewoordmerk 'Baucherlwärmer', een kruidenmengsel. Aigner stelt dat Raimund het merk in strijd met de goede zeden en te kwader trouw heeft verworven. De verwijzende OOS rechter (Oberster Gerichtshof) stelt vast dat kwade trouw bij aanvraag een absolute nietigheidsgrond is die in de inbreukprocedure alleen geldig kan worden aangevoerd wanneer verweerster op grond daarvan een reconventionele vordering instelt. De vraag rijst hoe de reconventionele vordering dient te worden behandeld. Conclusie AG: [IEF 16882].

Antwoord HvJ EU:

1)      Artikel 99, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk moet aldus worden uitgelegd dat de krachtens artikel 96, onder a), van deze verordening bij een rechtbank voor het Uniemerk ingestelde vordering wegens inbreuk niet kan worden afgewezen op basis van een absolute nietigheidsgrond, zoals de in artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening bepaalde grond, zonder dat deze rechtbank de reconventionele vordering tot nietigverklaring, die de gedaagde op deze vordering wegens inbreuk heeft ingesteld op basis van artikel 100, lid 1, van deze verordening, en die op dezelfde nietigheidsgrond is gebaseerd, heeft toegewezen.
2)      De bepalingen van verordening nr. 207/2009 moeten aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat de rechtbank voor het Uniemerk de vordering wegens inbreuk, in de zin van artikel 96, onder a), van deze verordening, kan afwijzen op basis van een absolute nietigheidsgrond, zoals de in artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening bepaalde grond, zelfs al is de beslissing op de krachtens artikel 100, lid 1, van deze verordening ingestelde reconventionele vordering tot nietigverklaring, die op dezelfde nietigheidsgrond is gebaseerd, niet definitief geworden.
 

IEFBE 2385

Conclusie AG: Bescherming gemeenschapsmodel centreerpennen uitgesloten als uiterlijke kenmerken zijn gekozen met het oog op technische functie

HvJ EU - CJUE 19 okt 2017, IEFBE 2385; ECLI:EU:C:2017:779 (Doceram tegen CeramTec), http://www.ie-forum.be/artikelen/conclusie-ag-bescherming-gemeenschapsmodel-centreerpennen-uitgesloten-als-uiterlijke-kenmerken-zijn

Conclusie AG HvJ EU 19 oktober 2017, IEF 17192; IEFbe 2385; ECLI:EU:C:2017:779; C-395/16 (Doceram tegen CeramTec). Modellenrecht. Docecream is houdster van diverse gemeenschapsmodellen die centreerpennen beschermen in drie verschillende geometrische vormen. Docecream stelt nietigverklaring van de soortgelijke modellen van Ceramtec omdat de bekendgemaakte uiterlijke kenmerken van de producten uitsluitend door de technische functie worden bepaald. Relevant is of er sprake is van technische bepaaldheid die bescherming in de zin van artikel 8.1 van Vo. 6/2002 uitsluit wanneer de (technische) functionaliteit de enige factor is die het design bepaalt. De Duitse rechter vraagt zich af of de bescherming zich al dan niet dient uit te strekken tot onderdelen die onzichtbaar zijn wanneer eenmaal op hun plaats zijn aangebracht. 

Conclusie AG:

1)      Artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen moet aldus worden uitgelegd dat de door genoemde verordening geboden bescherming is uitgesloten indien de uiterlijke kenmerken van het aan de orde zijnde voortbrengsel uitsluitend zijn gekozen met het doel dat dat voortbrengsel kan voldoen aan een gegeven technische functie, dus zonder enige creatieve bijdrage van de ontwerper ervan; het feit dat er mogelijk andere vormen bestaan waarmee hetzelfde technische resultaat kan worden bereikt, is dienaangaande op zichzelf niet beslissend.
2)      Teneinde te bepalen of de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel zijn gekozen op grond van overwegingen die uitsluitend verband houden met de technische functie van een voortbrengsel, in de zin van genoemd artikel 8, lid 1, moet de aangezochte rechter een objectief oordeel vellen, door gebruik te maken van zijn eigen beoordelingsbevoegdheid, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het concrete geval.

IEFBE 2384

HvJ EU over 'dezelfde handelingen' en rechtsmacht wat betreft online merkgebruik

HvJ EU - CJUE 19 okt 2017, IEFBE 2384; ECLI:EU:C:2017:771 (MERCK), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-over-dezelfde-handelingen-en-rechtsmacht-wat-betreft-online-merkgebruik

HvJ EU 19 oktober 2017, IEF 17191; IEFbe 2384; ECLI:EU:C:2017:771; C-231/16 (MERCK) Merkenrecht. Procesrecht. Rechtsmacht. Over de rechtsmacht over een aantal Britse en internationale woordmerken MERCK. Artikel 109 Richtlijn EUTM. Begrippen 'dezelfde partijen' en 'dezelfde handelingen', gebruik van Merck op websites en online platformen. Is er sprake van dezelfde handeling als het gaat om onderhoud en wereldwijd gebruik van identieke online internet presentie op dezelfde domeinnaam? Conclusie AG: [IEF 16757].

Antwoord HvJ EU: 

1)      Artikel 109, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk moet aldus worden uitgelegd dat slechts is voldaan aan de aldaar gestelde voorwaarde inzake het bestaan van „dezelfde handelingen” wanneer voor rechterlijke instanties van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen wegens inbreuk worden ingesteld die respectievelijk op een nationaal merk en een Uniemerk zijn gebaseerd, voor zover deze vorderingen betrekking hebben op een vermeende inbreuk op een nationaal merk en een gelijk Uniemerk op het grondgebied van dezelfde lidstaten.

IEFBE 2382

HvJ EU: Dagvaarding voor schending persoonlijkheidsrechten rechtspersoon in de plaats waar centrum van belangen ligt

HvJ EU - CJUE 17 okt 2017, IEFBE 2382; (Bolagsupplysningen tegen Svensk Handel), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-dagvaarding-voor-schending-persoonlijkheidsrechten-rechtspersoon-in-de-plaats-waar-centrum-va

HvJ EU 17 oktober 2017, IEF 17189; IEFbe 2382; IT 2374; ECLI:EU:C:2017:766; C-194/16 (Bolagsupplysningen tegen Svensk Handel) Er is beroep ingesteld door Bolagsupplysningen tegen Svensk Handel strekkende tot rechtzetting van onjuiste informatie, verwijdering van commentaren, vergoeding van materiële en immateriële schade. Bolagsupplysningen is door Svensk Handel op een 'zwarte lijst' op haar website geplaatst wegens vermeend bedrog en oplichterij. Gevolg hiervan is dat verzoeksters bedreigd zijn en hun activiteiten in Zweden nagenoeg stilliggen. Svensk Handel stelt dat er geen nauwe band is tussen het geding en de Estse rechter. Conclusie AG: [IEF 17190]. Antwoord HvJ EU: 

1)      Artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken dient aldus te worden uitgelegd dat een rechtspersoon die stelt dat zijn persoonlijkheidsrechten zijn geschonden door de publicatie op internet van onjuiste gegevens over hem en door het niet verwijderen van op hem betrekking hebbende reacties, een beroep kan instellen tot rectificatie van die gegevens, verwijdering van die reacties en vergoeding van alle geleden schade bij de gerechten van de lidstaat waar zich het centrum van zijn belangen bevindt.
Verricht de betrokken rechtspersoon het grootste deel van zijn activiteiten in een andere lidstaat dan die waar hij zijn statutaire zetel heeft, dan kan hij de vermeende veroorzaker van de aantasting in die andere lidstaat oproepen met een beroep op de plaats waar de schade is ingetreden.
2)      Artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 dient aldus te worden uitgelegd dat een persoon die stelt dat zijn persoonlijkheidsrechten zijn geschonden door de publicatie op internet van onjuiste gegevens over hem en door het niet verwijderen van op hem betrekking hebbende reacties niet bij de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan de op internet gepubliceerde informatie toegankelijk is of was, een beroep kan instellen tot rectificatie van die gegevens en verwijdering van die reacties.

IEFBE 1738

IE-Forum.be zoekt de volgende uitspraken...

Wij zijn op zoek naar de volgende uitspraken. Heeft u een tip (naam van de (mogelijke) advocaat, (e-mail)contactgegevens van de griffie, of de uitspraak zelf) stuur het in via: redactie@ie-forum.be. Nous cherchons les jugements suivants: l’envoyez ou envoyez-nous une suggestion (nom d'avocat, addresse d’e-mail du greffier) à redactie@ie-forum.be:

NIEUW!
Vrz. Kh. Namen, 13 april 2017 (Merck)
Rechtbank van Koophandel Brussel 28 januari 2017 (Doomoo-seat)
Rb van KH Brussel november 2016 (Nespresso tegen Mondelez) (lees)
Prés. Comm. francophone Bruxelles, cess., 26 mai 2016, affaire « H&M c. N&H » IRDI 2016/3
Tr. Bruxelles, 9e ch., 3 mai 2016, affaire « Sabam c. État belge et fournisseurs d’accès à internet » IRDI 2016/3
Rb Luik 29 april 2014 (KPN v. VOO)
Rb Bergen 16 september 2013
Rb Brussel 16 april 2012 (Dyson)
Rb Brussel 31 Januari 2012 (Newpur v. Tempur)
Rb Brussel 31 januari 2012 (Dreft)
Rb Antwerpen 23 december 2010 (Travel Tex)
Vrz. Rb. Kh. Hasselt 8 sept. 2010 en 19 okt. 2012 (Primagaz)
Vrz. Kh. Leuven, 3 nov. 2003 (BASE)

Rechtbank-zaken waar we de arresten reeds van in ons bezit hebben [en allen opgevraagd bij advocaten]:
Rb van KH Brussel 13 januari 2016 (De Schakel Thuisverpleging tegen Thuisverpleging Pajozorg); arrest 31 oktober 2016 [IEFbe 2313]
Rb van KH Brussel 23 juli 2015 (Gemological tegen Int. Gemmological), arrest 18 oktober 2016 [IEFbe 2312]
Rb Luik 22 maart 2016 en 21 maart 2013 (Front National Belge tegen Front National); arrest van 11 oktober 2016 [IEFbe 2314]
Rb van KH Brussel 20 mei 2009 (Agicoa tegen Eviso) [IEFbe 1978]
Tribunal de commerce Bruxelles 11 september 2015 (Levi Strauss tegen New Yorker), arrêt van 23 september 2016 [IEFbe 2310]
Hof Brussel tussen arrest 4 sept 2012, 21 dec 2012, 7 maart 2013 (Kerstens tegen Arbita); arrest van 13 september 2016 [IEFbe 2283]
Rb van KH Gent 15 november 2013 (Anglo tegen Industrial & Marine Services); arrest van 27 juni 2016 [IEFbe 2275]
Tribunal de commerce de Bruxelles 12 september 2011 en 16 november 2009 (XENUM XEON), arrest van 16 juni 2016 [IEFbe 2272]
Cour d’appel Bruxelles 10 mai 2016 (Belgium Television tegen Sabam) [opgevraagd bij advocaten] [IEFbe 2261]
Rb EA Brussel 6 juni 2013 (Keyware Smart tegen Kinepolis), arrest van 19 april 2016 [IEFbe 2258]
Tr. de Commerce Bruxelles 31 mars 2011 (l’Atelier Architects contre H&M Hennes & Mauritz), arrêt 6 novembre 2015 [IEFbe 2236]
Rb KH Gent 14 maart 2013 (Ortholength tegen Jeannor)  [IEFbe 2235]

Chronologisch:

IEFBE 2383

Conclusie AG: Volledige schade als gevolg van internetpublicatie mag verhaald worden in lidstaat waar zich het zwaartepunt van de beroepsactiviteit bevindt

HvJ EU - CJUE 13 jul 2017, IEFBE 2383; ECLI:EU:C:2017:554 (Bolagsupplysningen tegen Svensk Handel), http://www.ie-forum.be/artikelen/conclusie-ag-volledige-schade-als-gevolg-van-internetpublicatie-mag-verhaald-worden-in-lidstaat-waar

Conclusie AG HvJ EU 13 juli 2017, IEF 17190; IEFbe 2383; IT 2375; ECLI:EU:C:2017:554 ; C-194/16 (Bolagsupplysningen tegen Svensk Handel) EEX-Vo. Beroep is ingesteld door Bolagsupplysningen tegen Svensk Handel strekkende tot rechtzetting van onjuiste informatie, verwijdering van commentaren, vergoeding van materiële en immateriële schade. Bolagsupplysningen is door Svensk Handel op een 'zwarte lijst' op haar website geplaatst wegens vermeend bedrog en oplichterij. Gevolg hiervan is dat verzoeksters bedreigd zijn en hun activiteiten in Zweden nagenoeg stilliggen. Svensk Handel stelt dat er geen nauwe band is tussen het geding en de Estse rechter en er dan ook geen reden is af te wijken van artikel 4 van Vo. 1215/2012 en artikel 7, pt 2 toe te passen. Bolagsupplysningen stellen dat hun schade in Estland, waar zij het centrum van hun belangen hebben, is ingetreden. Conclusie AG:

–      Artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) moet aldus worden uitgelegd dat een rechtspersoon die beweert dat zijn persoonlijkheidsrechten zijn geschonden door de publicatie van informatie op internet, zijn volledige schade kan verhalen voor de gerechten van de lidstaat waar het centrum van zijn belangen is gelegen.

–      Een rechtspersoon heeft het centrum van zijn belangen in de lidstaat waar zich het zwaartepunt van zijn beroepsactiviteiten bevindt, mits de beweerdelijk schadelijke informatie nadelige gevolgen kan hebben voor zijn beroepsactiviteiten in die lidstaat.

IEFBE 2381

Uitvinder stemde in met de overdracht van rechten aan de aanvrager octrooi

Hoven van Beroep - Cours d'Appel 25 sep 2017, IEFBE 2381; (Pinvest tegen Doccle), http://www.ie-forum.be/artikelen/uitvinder-stemde-in-met-de-overdracht-van-rechten-aan-de-aanvrager-octrooi

Hof van beroep Antwerpen 25 september 2017, IEFbe 2381 (Pinvest tegen Doccle) Octrooirecht. Het hof van beroep te Antwerpen werd gevraagd te oordelen in een betwisting tussen partijen omtrent de vermogensrechten en het uitvinderschap van een octrooi (BE 1020616). De aanvrager van het octrooi meende dat de uitvinder onterecht werd aangeduid, en de uitvinder meende dat deze nooit enige vermogensrechten had overgedragen aan de aanvrager van het octrooi. Aangaande de eerste betwisting omtrent het uitvinderschap oordeelde het hof dat de aanduiding van de uitvinder in tempore non suspecto in het Belgische, internationale en Amerikaanse octrooi, het aannemelijk maakt dat deze inderdaad de uitvinder was. Sterker nog, volgens het hof maakt deze aanduiding een buitengerechtelijke bekentenis uit, die door de aanvrager van het octrooi niet wordt weerlegd. Aangaande de tweede betwisting omtrent de vermogensrechten oordeelde het hof dat de uitvinder er niet in slaagt enig bewijs overeenkomstig artikel XI.10, §1 WER voor te leggen dat ertoe zou leiden dat het octrooi aan de uitvinder dient te worden overgedragen. Er is immers geen contractuele verplichting, en evenmin werden enige licentievergoedingen bedongen. De feiten uit het dossier tonen aan dat de uitvinder op de hoogte was van, en instemde met de overdracht van rechten aan de aanvrager van het octrooi.

IEFBE 2380

Vragen aan HvJEU: zijn toegewezen advocaten aan te merken als 'handelaar' of 'verkoper'?

HvJ EU - CJUE 27 jun 2017, IEFBE 2380; C-426/17 (Giménez tegen verweerster), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvjeu-zijn-toegewezen-advocaten-aan-te-merken-als-handelaar-of-verkoper

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJEU 27 juni 2017, RB 3004; IEFbe 2380; C-426/17 (Giménez tegen verweerster). Oneerlijke bedingen. Via MinBuZa: Verweerster had bij de rechter verzocht om erkenning van haar blijvende arbeidsongeschiktheid en haar recht op de daarbij behorende uitkering. Verweerster is volledig arbeidsongeschikt verklaard voor de uitoefening van het beroep van schoonmaakster. Ze kreeg een uitkering toegekend van €1.178,15 per maand; deze uitkering is haar enige maandelijkse inkomen. Verweerster had verzocht om aanstelling van een toegevoegde advocaat met het oog op technische bijstand in die procedure. De benoeming viel op verzoekster (Elena Barba Giménez). Zij is door de orde van advocaten van Terrassa toegevoegd.

IEFBE 2379

Vragen aan HvJEU: zijn sigaretten met gementholiseerde bestanddelen verboden onder de Tabaksrichtlijn?

HvJ EU - CJUE 13 jun 2017, IEFBE 2379; C-439/17 (British American Tobacco), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvjeu-zijn-sigaretten-met-gementholiseerde-bestanddelen-verboden-onder-de-tabaksrichtlijn

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJEU 13 juni 2017, IEF 17183; RB 3003; LS&R 1515; IEFbe 2379; C-439/17 (British American Tobacco). Tabak. Consumentenbescherming. Via MinBuZa: Verzoekster (British American Tobacco GmbH) komt op tegen een beslissing van verweerster (Freie und Hansestadt Hamburg) waarbij haar het in de handel brengen van het product Lucky Strike Click Flow Switch-sigaretten is verboden. Deze sigaretten bevatten een capsule met menthol houdende vloeistof in de filter die door knijpen wordt afgegeven. Met het oog op de inwerkingtreding van bepaalde voorschriften van de wet betreffende tabaksproducten en verwante producten heeft verzoekster zich tot verweerster als de voor haar bevoegde toezichthoudende autoriteit gericht. Verzoekster heeft in haar brief uiteengezet dat met de overgangsbepaling van §47(4) TabakerzG, op grond waarvan het verbod in §5(1) punt 1a TabakerzG, om sigaretten en shagtabak met een kenmerkend aroma in de handel te brengen, pas met ingang van 20.05.2020 van toepassing is, het verdergaande voorschrift als vervat in de overgangs-bepaling van de richtlijn niet correct in Duits recht is omgezet. Daardoor mogen op grond van het verbod in §5(1) punt 1b TabakerzG sigaretten en shagtabak waarbij de menthol zich bevindt in de bestanddelen niet zijnde het eigenlijke tabaksrolletje, niet meer in de handel worden gebracht, zelfs indien op die manier een kenmerkend aroma in de zin van §5(1) punt 1a TabakerzG wordt gecreëerd. Dit is in strijd met het Unierecht. De verschillende behandeling van de beide productvarianten – mentholsigaretten die door de toevoeging van menthol aan bestanddelen is gementholiseerd, en sigaretten waarbij het tabaksrolletje is gementholiseerd – heeft geen basis in de richtlijn en is ook niet objectief gerechtvaardigd.

IEFBE 2371

Ovenvormmerk normaal gebruikt ondanks opdruk van woordmerk

10 okt 2017, IEFBE 2371; ECLI:EU:T:2017:715 (Klement tegen EUIPO), http://www.ie-forum.be/artikelen/ovenvormmerk-normaal-gebruikt-ondanks-opdruk-van-woordmerk
Vormmerk oven Bullerjan

Gerecht EU 10 oktober 2017, IEF 17177; IEFbe 2371; ECLI:EU:T:2017:715 (Klement tegen EUIPO). Vormmerk. Normaal gebruik van een merk. Bullerjan heeft in 2005 een vormmerk betreffende een oven ingeschreven. In 2012 verzoekt Klement op basis van de Uniemerkenverordening (207/2009/EC) om vervallenverklaring van dit vormmerk vanwege non-usus. De Cancellation Division en Board of Appeal van het EUIPO verwerpen de vervallenverklaring. Vervolgens stapt Klement naar het Gerecht EU, welke hem eveneens nul op rekest geeft. Klement gaat in beroep bij het HvJ, welke oordeelde dat het oordeel van het Gerecht niet duidelijk en begrijpelijk was, waarna de beoordeling werd teruggewezen naar het Gerecht. De klacht van Klement komt er in essentie op neer dat het daadwerkelijke product van Bullerjan afwijkt van het vormmerk, doordat het woord 'Bullerjan' op de producten is aangebracht en dat dit woord het enige distinctieve onderdeel is van het product. In het vormmerk is het woord niet aangebracht. Omdat er sprake is van afwijking zou er geen sprake zou zijn van normaal gebruik van het merk, zo stelt Klement. Het Gerecht maakt korte metten met deze stelling door aan te geven dat Uniemerken, zonder hun distinctieve karakter te verliezen, in kleine onderdelen mogen verschillen van het gedeponeerde merk. Dit is het geval. De oven an sich is zeer distinctief. Daarnaast hoeven merken niet in isolatie gebruikt te worden, dus meerdere merken (vorm, woord, beeld) kunnen op één product gebruikt worden. Vordering wordt afgewezen.

IEFBE 2378

Vragen aan HvJEU: Wanneer mag eierlikeur de verkoopbenaming 'eierlikeur' dragen?

HvJ EU - CJUE 27 jun 2017, IEFBE 2378; C-462/17 (Eierlikeur), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvjeu-wanneer-mag-eierlikeur-de-verkoopbenaming-eierlikeur-dragen

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJEU 27 juni 2017, IEF 17182; IEFbe 3002; RB 3002; C-462/17 (Eierlikeur). Geografische aanduiding. Etikettering. Via MinBuZa: Verzoekster richt zich tegen het gebruik van de benaming eierlikeur voor een product dat melk bevat. Verzoekster en verweerster (Altenweddinger Geflügelhof Kommanditgesellschaft) zijn producenten van likeuren die onder meer eieren als ingrediënt hebben en die in de detailhandel maar ook online worden verkocht onder de verkoopbenaming eierlikeur. Verweerster produceert onder meer een reeks producten die zij blijkens de etiketten als eierlikeur aanduidt. Op het etiket aan de achterkant van die producten staat ‘bevat melk’. Tussen partijen staat vast dat de likeuren van verweerster inderdaad melk bevatten. Verzoekster meent dat zij tegen het gebruik van de verkoopbenaming eierlikeur voor de producten van verweerster een vordering tot staking kan instellen krachtens de Duitse wet inzake de oneerlijke mededinging in samenhang met de Duitse wet inzake levensmiddelen, consumptiegoederen en voedermiddelen in samenhang met verordening 1169/2011 bijlage II bij verordening 110/2008. Het gebruik van de benaming eierlikeur voor de producten van verweerster is volgens haar misleidend, aangezien melk als ingrediënt van eierlikeur of advocaat in punt 41 van bijlage II bij verordening 110/2008 niet is opgenomen en een product dat naast de in punt 41 van bijlage II bij verordening 110/2008 melk bevat, derhalve ook niet als eierlikeur mag worden aangeduid. Verzoekster vordert veroordeling van verweerster tot staking op straffe van een dwangsom (maximaal €250.000,-) voor elke toekomstige inbreuk. Verweerster vordert verwerping van het beroep. Volgens verweerster gaat het bij punt 41 van bijlage II van verordening 110/2008 louter om minimumvoorwaarden waaraan een product moet voldoen om eierlikeur genoemd te mogen worden. De aanname dat de lijst uitputtend is, zou in tegenspraak zijn met artikel 17(1) verordening 11/69/2011.

IEFBE 2373

Vragen aan HvJEU: Is een beursstand een verkoopruimte?

HvJ EU - CJUE 13 jul 2017, IEFBE 2373; C-485/17 (Verbraucherzentrale Berlin), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvjeu-is-een-beursstand-een-verkoopruimte

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJEU 13 juli 2017, RB 3000; IEFbe 2373; C-485/17 (Verbraucherzentrale Berlin). Consumentenbescherming. Via MinBuZa: Verzoekster (Verbraucherzentrale Berlin; Duitse consumentenorganisatie) is opgenomen op de lijst van de Duitse wet inzake verbodsacties bij inbreuken op het consumentenrecht of bij andere inbreuken (hierna: UKlaG). Verweerster (Unimatic Vertriebs GmbH) is een verkoopmaatschappij die op de beurs ‘Grüne Woche’ in Berlijn producten tentoonstelt. Volgens haar verklaringen verkoopt zij haar producten uitsluitend op beurzen. Op 22.01.2015 bestelde een klant bij de stand van verweerster op de beurs ‘Grüne Woche’ een stoomstofzuiger ter waarde van €1.600,-. Verweerster heeft hem niet over zijn herroepingsrecht geïnformeerd. Verzoekster is van mening dat verweerster de klant had moeten informeren over het bestaan van een herroepingsrecht, aangezien de koopovereenkomst buiten een verkoopruimte werd gesloten. Verzoekster vorderde dat verweerster op straffe van dwangmaatregelen wordt verboden om op de betreffende beurs in Berlijn nog koopovereenkomsten m.b.t. stoomstofzuigers te sluiten met consumenten zonder hen te informeren over het herroepingsrecht (en het modelformulier voor herroeping). De rechter in eerste aanleg wees de vordering af. Het door verzoekster ingestelde hoger beroep werd verworpen. Volgens de rechter in hoger beroep was verweerster als exposant op de beurs ‘Grüne Woche’ niet verplicht haar klanten te informeren over een herroepingsrecht. Zij verkoopt haar producten niet buiten een verkoopruimte; de consument die de beurs bezoekt verkeert in dezelfde situatie als een persoon die spontaan in een warenhuis een winkel bezoekt. De consument zou in deze situatie geen herroepingsrecht nodig hebben. Met haar door de rechter in hoger beroep toegestane beroep in ‘Revision’ handhaaft verzoekster haar vordering.

IEFBE 2376

Vragen aan HvJEU: Uitleg mbt het "recht op het laten verwijderen van koppelingen"

HvJ EU - CJUE 19 jul 2017, IEFBE 2376; C-507/17 (Google), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvjeu-uitleg-mbt-het-recht-op-het-laten-verwijderen-van-koppelingen

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJEU 19 juli 2017, IT&R 2371; IEFbe 2376; C-507/17 (Google). Bescherming persoonsgegevens. Via MinBuZa: Verzoeker (Google) verzoekt de hoogste bestuursrechter om het besluit van verweerder (de Franse gegevensbeschermingsautoriteit) nietig te verklaren. Subsidiair wordt verzocht de behandeling van de zaak te schorsen om het Hof een vraag te stellen over de uitlegging van artikel 4 en 28 van richtlijn 95/46. Bij besluit van 21.05.2015 heeft verweerder, waarbij zij een verzoek van een natuurlijke persoon toewees om de resultatenlijst met koppelingen naar webpagina’s die na een zoekopdracht op zijn naam werd weergegeven te verwijderen, verzoeker aangemaand deze verwijdering toe te passen op alle domeinnaam-extensies van haar zoekmachine. Na te hebben vastgesteld dat verzoeker niet binnen de gestelde termijn gevolg had gegeven aan deze aanmaning, heeft verweerder in kleine samenstelling, bij besluit van 10.03.2016, verzoeker een openbaar gemaakte geldboete van €100.000,- opgelegd. Verzoeker vordert nietigverklaring van dit besluit. De interveniërende partijen (Wikimedia Foundation Inc., Fondation pour la liberté de la presse, Microsoft, Reporters Committee for Freedom of the Press, Article 19, en Internet Freedom Foundation) hebben allen bij memorie in interventie de hoogste bestuursrechter verzocht de conclusies van het verzoekschrift van verzoeker toe te wijzen. Samengevat stellen de interveniërende partijen en verzoeker: a) dat verweerder niet bevoegd was om het bestreden besluit te nemen met betrekking tot verwerkingen die niet op Frans grondgebied zijn uitgevoerd; b) dat het bestreden besluit onevenredig inbreuk maakt op de vrijheden van meningsuiting, informatie, communicatie en pers; c) dat het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd is en feitelijke alsmede juridische onjuistheden bevat; d) dat het bestreden besluit inbreuk maakt op de bescherming van het internet; e) dat het bestreden besluit het beginsel van internationale hoffelijkheid en soevereiniteit van andere staten miskent. Verweerder concludeert tot afwijzing van het verzoekschrift en verzoekt de hoogste bestuursrechter, subsidiair, de behandeling van de zaak te schorsen om het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de territoriale werkingssfeer van het recht op het laten verwijderen van koppelingen. Zij voert aan dat de opgeworpen middelen ongegrond zijn.

IEFBE 2375

Vragen aan HvJEU: Geldt rituale slachting zonder voorafgaande bedwelming als 'biologische' productie?

HvJ EU - CJUE 6 jul 2017, IEFBE 2375; C-497-17 (Oeuvre d’assistance aux bêtes d’abattoirs), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvjeu-geldt-rituale-slachting-zonder-voorafgaande-bedwelming-als-biologische-productie

Prejudiceel gestelde vragen aan HvJEU 6 juli 2017, RB 3001; IEFbe 2375; LS&R 1514; C-497-17 (Oeuvre d’assistance aux bêtes d’abattoirs).Voedselveiligheid. Via MinBuZa: Verzoeker (vereniging Oeuvre d’assistance aux bêtes d’abattoirs; OABA) heeft met haar verzoek van 24.09.2012 een van de verwerende partijen (Ecocert France, certificeringsinstelling) verzocht om op grond van verordening 834/2007 een eind te maken aan de reclame voor en het in de handel brengen van ‘halal’-gecertificeerde en van de vermelding ‘biologische landbouw’ voorziene gehakte biefstukken, die door de vennootschap Bionoor (tevens een van de verwerende partijen) in de handel worden gebracht. Door het stilzwijgen van de certificeringsinstelling werd dit verzoek impliciet afgewezen. Verzoeker heeft de Conseil d’État om nietigverklaring van het impliciete afwijzingsbesluit verzocht. Volgens verzoeker is de vermelding van ‘biologische landbouw’ onverenigbaar met producten afkomstig van zonder voorafgaande bedwelming geslachte dieren; deze slachtmethode zou niet voldoen aan de vereisten van verordening 834/2007. De verwerende partijen (Bionoor, Ecocert France, het ministerie van landbouw en voedsel, en het Nationaal Instituut voor Oorsprong en Kwaliteit) concluderen tot afwijzing van het verzoek. Verweerders stellen dat noch verordening 834/2007, noch uitvoeringsverordening nr. 889/2008 zich ertegen verzetten dat de regel van voorafgaande bedwelming niet wordt geëerbiedigd in het specifieke kader van rituele slachtingen. Verordening 1099/2009 staat een uitzondering toe op het beginsel van voorafgaande bedwelming indien religieuze riten dit vereisen. Bovendien sluit verordening 889/2008 uitdrukkelijk bepaalde praktijken uit, zoals dwangvoedering van dieren, doch niet rituele slachting.

IEFBE 2374

Vragen aan HvJEU: Valt een kleine sample van een muziekstuk onder het citaatrecht?

HvJ EU - CJUE 1 jun 2017, IEFBE 2374; C-476/17 (Kraftwerk), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvjeu-valt-een-kleine-sample-van-een-muziekstuk-onder-het-citaatrecht

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJEU 1 juni 2017, IEF 17180; IEFbe 2374 ; C-476/17 (Kraftwerk). Auteursrecht. Muziek. Via MinBuZa: Verzoekers zijn leden van de band ‘Kraftwerk’. De groep bracht in 1977 een fonogram uit waarop de compositie ‘Metall auf Metall’ staat. Tot de verwerende partij behoren de beide componisten van het nummer ‘Nur mir’ en Pelham GmbH, die dat nummer met zangeres opnam op fonogrammen die in 1997 werden uitgebracht. Verzoekers stellen dat verweerders ongeveer twee seconden van een ritmische sequens uit het nummer ‘Metall auf Metall’ elektronisch hebben gekopieerd (gesampled) en in een doorlopende herhaling onder het nummer ‘Nur mir’ hebben gezet, hoewel zij de gekopieerde ritmische sequens zelf hadden kunnen inspelen. Zij hebben tegen verweerders een vordering ingesteld tot staking van het gebruik, schadevergoeding en afgifte van de fonogrammen met het oog op de vernietiging ervan. Het Landgericht heeft de vorderingen toegewezen. Verweerders hebben tevergeefs hoger beroep tegen deze beslissing ingesteld. Met hun beroep in Revision concluderen verweerders nog steeds tot afwijzing van de vorderingen.

IEFBE 2372

Vragen aan HvJEU over inwerking grondrechten op de Auteursrechtrichtlijn

HvJ EU - CJUE 27 jul 2017, IEFBE 2372; C-516/17 (Der Spiegel), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvjeu-over-inwerking-grondrechten-op-de-auteursrechtrichtlijn

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU 27 juli 2017, IEF 17179; IEFbe 2372; C-516/17 (Der Spiegel). Auteursrecht. Persvrijheid. Via MinBuZa: Verzoeker is sinds 1994 lid van de Duitse Bundestag en is auteur van een manuscript waarin hij pleit voor gedeeltelijke decriminalisering van geweldloze seksuele handelingen door volwassenen met kinderen, maar zich tegelijkertijd uitspreekt tegen volledige afschaffing van de zedenwetgeving. Het essay werd in 1988 gepubliceerd in boekvorm, als bijdrage aan een bundel. Het verscheen onder pseudoniem en in een door de redacteur gewijzigde versie. Bij brief van 05.05.1988 beklaagde verzoeker zich er bij de redacteur over dat de strekking van zijn artikel ten gevolge van de zonder zijn toestemming in de tekst aangebrachte wijzigingen was veranderd en verzocht hij hem om, in het kader van de distributie van het boek, de lezer daarop attent te maken in een mededeling van de uitgever – tevergeefs. Nadat hij in de daaropvolgende jaren herhaaldelijk was bekritiseerd voor de uitlatingen in zijn bijdrage aan dat boek, stelde verzoeker op 18.09.2013 het manuscript ter beschikking aan verschillende krantenredacties om aan te tonen dat het voor publicatie in boekvorm was gewijzigd. Hij gaf die redacties evenwel geen toestemming voor publicatie van de teksten. In plaats daarvan stelde hij op 20.09.2013 het manuscript en de in het boek verschenen bijdrage als download ter beschikking op zijn website, waarbij op elke bladzijde diagonaal de volgende tekst was aangebracht: “IK DISTANTIEER MIJ VAN DEZE BIJDRAGE…”. De bladzijden van de bijdrage aan het boek bevatten daarnaast het volgende opschrift: “VOOR DEZE TEKST IS GEEN TOESTEMMING GEGEVEN. DE TITEL EN DELEN VAN DE TEKST ZIJN VERDRAAID TEN GEVOLGE VAN DE VRIJE BEWERKING DOOR DE REDACTEUR.”

IEFBE 2370

Voorlopig inbreukverbod octrooi Truvada toegewezen

Brussel - Bruxelles(Fr./Nl.) 28 sep 2017, IEFBE 2370; (Gilead Sciences tegen BVBA Mylan), http://www.ie-forum.be/artikelen/voorlopig-inbreukverbod-octrooi-truvada-toegewezen

Rechtbank van Koophandel Brussel 28 september 2017, IEFbe 2370 (Gilead Sciences tegen BVBA Mylan) Octrooirecht. Het geschil heeft betrekking op Truvada, een geneesmiddel van Gilead tegen HIV en aids. Truvada is een vaste dosis combinatieproduct dat de actieve ingrediënten TD en emtricitabine bevat. Gilead vordert een voorlopig inbreukverbod ten aanzien van de dreigende inbreuk door Mylan op haar aanvullende beschermingscertificaat (ABC 2005C/030). De rechtbank oordeelt dat de vordering van Gilead wel degelijk een hoogdringend karakter vertoont. Een beweerde inbreuk van octrooirechten, waaronder ook ABCs, creëren op zich een situatie van hoogdringendheid. Ingeval van een lancering van het generieke combi product door Mylan, lijdt Gilead aanzienlijke en onherstelbare schade. De rechtbank verklaart de vordering gegrond. 

IEFBE 2358

En n'insérant pas un renvoi à un texte en bas de page précisant que le prix annoncé s'entend hors frais fixes de 199 €, l'intiméee induit le consommateur en erreur sur le prix

Luik - Liège 29 apr 2014, IEFBE 2358; (Tecteo S.C.I.R.L. contre KPN Group Belgium), http://www.ie-forum.be/artikelen/en-n-ins-rant-pas-un-renvoi-un-texte-en-bas-de-page-pr-cisant-que-le-prix-annonc-s-entend-hors-frais

Cour d'appel de Liège septième chambre 29 avril 2014, IEFbe 2358 (Tecteo S.C.I.R.L. contre KPN Group Belgium) L'intimée ne peut être suivie en ce qu'elle conclut à l'irrecevabilité de cette demande au motif qu'elle ne serait pas fondée sur un fait ou un acte invoqué en citation, dès lors que la demande nouvelle se fonde sur la publicité de lancement du produit 'SNOW', qui est expressément visée par la citation introductive d'instance te dont l'appelante demande la cessation notament pour violation des dispositions de la loi 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché et à la protection du consommateur. La publicité litigieuse énonce ce qui laisse entendre que le prix de 39 € par mois constitute le prix final, impression d'ailleurs renforcéee par le texte figurant en marge et en grands caractères dans un disque de couleur moutarde: "TV + (symbole smartphone) + (symbole téléphone) 39 € par mois et pas besoin d'abonnement au câble!". En n'insérant pas, comme le fait l'appelante, un renvoi à un texte en bas de page - fût-il rédigé en petits caractères - précisant que le prix annoncé s'entend hors frais fixes de 199 €, l'intiméee induit le consommateur en erreur sur le prix. Ce faisant, l'intimée a violé les articles 6, 85, 86, 90, par 1 et 95 de la loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché et à la protection du consommateur.