IEFBE 2189

Michaël De Vroey - Het recht van de verweerder in een stakingsprocedure

We hebben in een aantal recente beslissingen kunnen vaststellen dat de stakingsrechter te Brussel herhaaldelijk voorlopige inbreukverboden uitspreekt op grond van artikel 19, lid 3 Ger.W., in afwachting van een beslissing ten gronde (zie onder meer Voorz. NL Rechtbank van KH Brussel 11 mei 2017, IEFbe 2180; IEF 16804 (Fatboy the Original tegen Makro en Belgocamp) en Rechtbank van Koophandel Brussel 14 september 2016, IEFbe 1971 (BBraun Becton Dickinson)). Dit maakt het de IE-rechtenhouder wel heel gemakkelijk die op die manier een (weliswaar voorlopig maar even reëel) stakingsbevel bekomt op straffe van dwangsommen, op basis van een laagdrempelige prima facie beoordeling en zonder vereiste van urgentie. De stakingsrechter van zijn kant bespaart zich - minstens voorlopig - een diepgaande beoordeling ten gronde.

IEFBE 2188

Gerecht EU: Verwarringsgevaar geen vereiste voor artikel 8 lid 5

Gerecht EU - Tribunal UE 3 mei 2017, IEFBE 2188; (Environmental Manufacturing/EUIPO - Wolf), http://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-eu-verwarringsgevaar-geen-vereiste-voor-artikel-8-lid-5

Gerecht EU 3 mei 2017, IEF 16820; IEFbe 2188; zaak T‑681/15 (Environmental Manufacturing/EUIPO - Wolf) Verwateringsgevaar. Gevaar voor free-riding. Voor het vergelijken van de tekens moet naast de visuele, auditieve en begripsmatige aspecten gekeken worden naar de totaalindruk. Visueel zijn de tekens redelijk gelijk, auditief is er geen vergelijking mogelijk en begripsmatig zijn ze ook redelijk gelijk.  Verder is er sprake van een kans op verwarringsgevaar. In voorgaande beschikkingen zijn alleen de litigieuze tekens onderzocht in het licht van artikel 8 lid 5. Het verwarringsgevaar ex artikel 8 lid 1 sub b is niet onderzocht en er zal niet verder op in worden gegaan. In voorgaande beschikkingen [IEF 14639, IEF 13223 en IEF 11342] werd alleen het probleem van verwatering en free-riding aangehaald. In die context is er geen onderzoek nodig naar het verwarringsgevaar, aangezien het bestaan van een gelijkenis tussen de betrokken tekens voldoende is. Het verzoek tot schending wordt daarom ongegrond worden verklaard. Het beroep wordt in zijn geheel afgewezen.

IEFBE 2190

Ook in België geen auteursrechtinbreuk tankpas

Hoven van Beroep - Cours d'Appel 23 mei 2017, IEFBE 2190; (Diplomatic Card S&B tegen Forax N.V.), http://www.ie-forum.be/artikelen/ook-in-belgi-geen-auteursrechtinbreuk-tankpas

Hof van Beroep te Brussel 23 mei 2017, IEFbe 2190; zaak 2013/AR/761 (Diplomatic Card S&B tegen Forax N.V.) Tankpas. Auteursrecht. Onrechtmatige mededinging. Deze uitspraak is de Belgische tegenhanger van een arrest van het Hof Den Haag [IEF 15663]. Diplomatic Card vordert een verbod voor Forax om inbreuk te maken op hun op intellectuele eigendomsrechten. Deze vordering wordt afgewezen. Het hof legt Diplomatic Card een verbod op om Forax te beschuldigen van inbreuk op intellectuele eigendomsrechten op straffe van een dwangsom van €10.000 per inbreuk.

IEFBE 2187

Prejudiciële vraag: Is een natuurlijke persoon die acht tweedehands-advertenties heeft geplaatst een handelaar?

HvJ EU - CJUE 16 feb 2017, IEFBE 2187; (OLX verkoop Longines horloge), http://www.ie-forum.be/artikelen/prejudici-le-vraag-is-een-natuurlijke-persoon-die-acht-tweedehands-advertenties-heeft-geplaatst-een

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 16 februari 2017, IEFbe 2187; IT 2291; RB 2870; C-105/17 (OLX verkoop Longines horloge) Consumentenbescherming. Oneerlijke handelspraktijken. Bij de Commissie voor consumentenbescherming (verweerster) is een klacht ingediend over levering van een tweedehands ‘longines’-horloge dat via een website van een aanbieder was gekocht onder de voorwaarden van verkoop op afstand. Het product wordt 20-10-2014 door een koerier afgeleverd met gegevens van de aanbieder (= verzoekster). De klant is niet tevreden met het product omdat het niet de eigenschappen bezit die op de website worden vermeld, waarna hij verzoekster belt om de overeenkomst te ontbinden. Daartoe is verzoekster echter niet bereid. Verweerster start een onderzoek en komt via de koeriersdienst en de exploitant van de website uit bij verzoekster. Zij blijkt acht advertenties op de website te hebben geplaatst voor verschillende producten (iPhones, een BMW, Turkse tegels). In geen van de advertenties worden gegevens van de aanbieder genoemd, noch de prijs, leveringsvoorwaarden, garanties en termijnen voor uitoefening van consumentenrechten. Verweerster besluit daarop 27-02-2015 tot vaststelling van een bestuursrechtelijke overtreding op grond van de BUL consumentenbeschermingswet, waartegen verzoekster 17-03-2015 bezwaar maakt omdat zij meent niet als handelaar in de zin van die wet te kunnen worden aangemerkt. Dit wordt afgewezen en verzoekster krijgt een boete. Zij vecht die aan bij de Rb Varna die vaststelt dat verzoekster niet de hoedanigheid van ‘handelaar’ in de zin van de uitvoeringsbepalingen van de wet heeft, en evenmin in de zin van RL 2005/29. Het boetebesluit wordt 22-03-2016 vernietigd. Verweerster gaat in cassatieberoep bij de verwijzende rechter.

IEFBE 2186

Prejudiciële vraag over auteursrechtinbreuk filesharing bij meerdere gezinsleden

HvJ EU - CJUE 17 mrt 2017, IEFBE 2186; (Audioboek Dan Brown), http://www.ie-forum.be/artikelen/prejudici-le-vraag-over-auteursrechtinbreuk-filesharing-bij-meerdere-gezinsleden

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 17 maart 2017, IEF 16818; IEFbe 2186; C-149/17 (Audioboek Dan Brown) Auteursrecht. Informatiemaatschappij. Verzoekster is houdster van de rechten die zijn verleend aan de producent van het fonogram betreffende de audioversie van het auteursrechtelijk beschermde werk “Het verloren symbool” van de auteur Dan Brown. Verweerder is de houder van de litigieuze internetaansluiting waarmee dit luisterboek op 08-05- 2010 voor downloaden is aangeboden aan een onbeperkt aantal gebruikers van internetsites voor filesharing. Verzoekster heeft verweerder 28-10-2010 vergeefs gesommeerd de inbreuk te staken, waarna zij van verweerder als houder van het IP-adres een schadevergoeding heeft geëist. Verweerder stelt dat zijn internetadres voldoende is beveiligd; hij betwist de inbreuk op het auteursrecht en geeft aan dat zijn in hetzelfde huis wonende ouders, die naast hem toegang tot de internetaansluiting hebben, de litigieuze data niet hebben gedownload. Op het bewuste tijdstip waren alle computers in huis uitgeschakeld. Deze lezing is door de ouders bevestigd. Verzoekster stelt een schadevergoedingsactie in bij de Rb München maar die wordt afgewezen op de grond dat er niet van kan worden uitgegaan dat verweerder de beweerde inbreuk heeft begaan en dat de ouders de feiten niet kunnen hebben gepleegd. Verzoekster gaat in beroep bij de verwijzende rechter.

IEFBE 2185

Prejudiciële vragen over verantwoordelijkheid van zoekmachines en de verwerking van persoonsgegevens

HvJ EU - CJUE 24 feb 2017, IEFBE 2185; (X tegen CNIL), http://www.ie-forum.be/artikelen/prejudici-le-vragen-over-verantwoordelijkheid-van-zoekmachines-en-de-verwerking-van-persoonsgegevens

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 24 februari 2017, IT 2290; IEFbe 2185; C-136/17 (X tegen CNIL) Bescherming persoonsgegevens. Recht op verwijdering koppelingen. De vier verzoekers hebben alle vier bij Google aangeklopt met verzoeken om verwijdering van ongewenste koppelingen van hun namen aan bijvoorbeeld filmpjes op YouTube of krantenartikelen. Als Google weigert wenden zij zich tot de FRA gegevensbeschermingsAut (CNIL) om Google tot actie te dwingen, maar CNIL sluit de klachten zonder actie te ondernemen af. Verzoekers starten daarop een procedure wegens bevoegdheidsoverschrijding. De verwijzende FRA rechter (Raad van State) stelt vast dat de FRA regelgeving (oorspronkelijke wet van 1978) de omzetting bevat van RL 95/46. Het HvJEU heeft in zijn arrest C-131/12 bepaald in welke gevallen informatie uit zoekmachines als ‘verwerking van persoonsgegevens’ moet worden gekwalificeerd. In de FRA wet is opgenomen dat de wet van toepassing is op verwerking van gegevens waarvan de verantwoordelijke op FRA grondgebied is gevestigd [in welke (rechts)vorm dan ook]. Google heeft een dochter in FRA en valt dus onder de werkingssfeer van de FRA wet. Er is ook een bepaling in de wet opgenomen betreffende het ‘recht op het laten verwijderen van koppelingen’ indien aan de voorwaarden daartoe is voldaan. In dat geval is de exploitant van de zoekmachine verplicht tot verwijdering over te gaan. In de punten 10 – 13 zet de rechter nader uiteen om welke te verwijderen koppelingen het in de vier zaken gaat. Hij citeert nogmaals uit arrest C-131/12 waarin het HvJEU voor recht verklaarde dat exploitanten aan de vereisten van RL 95/46 moeten voldoen opdat de daarin vervatte waarborgen hun volle werking kunnen krijgen en een doelmatige en volledige bescherming van betrokkenen, vooral wat betreft eerbieding privéleven, tot stand kunnen brengen en ziet daarin een uitlegprobleem van de RL. Deze vraag (en vervolgvragen) legt hij voor aan het HvJEU:

IEFBE 2184

Vragen aan HvJ EU over de auteursrechtelijk bescherming van smaak en wat de eisende partij dient te stellen

HvJ EU - CJUE 23 mei 2017, IEFBE 2184; (Levola tegen Smilde), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvj-eu-over-de-auteursrechtelijk-bescherming-van-smaak-en-wat-de-eisende-partij-dient-te

Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2017, IEF 16815 (Levola tegen Smilde) Auteursrecht op smaak. Levola stelt dat het product 'Witte Wievenkaas' en auteursrechtelijke verveelvoudiging vormt van de smaak van haar 'Heks'nkaas'. De rechtbank [IEF 15013] heeft de vraag of smaak van een voedingsmiddel auteursrechtelijk beschermd kan worden in het midden gelaten omdat Levola had nagelaten de elementen van de smaak leiden tot bescherming van het EOK/PS. Het Hof stelt hiertoe prejudiciële vragen:

1.(a) Verzet het Unierecht zich ertegen dat de smaak van een voedingsmiddel - als eigen intellectuele schepping van de maker - auteursrechtelijk beschermd wordt?

In het bijzonder:

IEFBE 2183

Vraag aan HvJ EU: Is met toestemming plaatsen op openbare website beschikbaarstelling voor het publiek, wanneer het werk op een server wordt gekopieerd en van daaruit op website wordt geüpload?

HvJ EU - CJUE 23 feb 2017, IEFBE 2183; (Land Nordrhein-Westfalen tegen Dirk Renckhoff), http://www.ie-forum.be/artikelen/vraag-aan-hvj-eu-is-met-toestemming-plaatsen-op-openbare-website-beschikbaarstelling-voor-het-publie

Prej. vragen aan HvJ EU 23 februari 2017, IEF 16813; IT 2289; IEFbe 2183; C-161/17 (Land Nordrhein-Westfalen tegen Dirk Renckhoff) Auteursrecht. Via Minbuza: Verzoeker is beroepsfotograaf. Verweerder is de deelstaat Nordrhein-Westfalen als zijnde belast met onderwijsinspectie. Het gaat om een foto van verzoeker van de stad Cordoba die een scholiere van een school die onder verantwoordelijkheid van verweerder valt (als onderwijsinspectie) bij een in het Spaans gesteld werkstuk op de website van de school heeft geplaatst. Onder de foto staat een verwijzing naar de website waaraan verzoeker de foto voor gebruik (‘eenvoudig gebruiksrecht’) heeft afgestaan. Hij stelt dat de school zijn auteursrechtelijk reproductierecht en het recht op beschikbaarstelling voor het publiek heeft geschonden. Hij eist een verbod op het vertonen van de foto en een schadevergoeding. Verzoeker wordt in eerste twee instanties in het gelijk gesteld. De appelrechter oordeelt dat de foto valt onder auteursrechtelijke bescherming van de DUI auteurswet en dat verzoeker recht heeft op bescherming van naburige rechten. Door plaatsing op de website van de school had verzoeker niet meer de uitsluitende zeggenschap over beschikbaarstelling van zijn foto voor het publiek. Hij stelt vast dat de leerkracht Spaans aansprakelijk is omdat zij de in het kader van haar onderwijsactiviteiten op haar rustende toezicht- en controleverplichtingen niet is nagekomen.

IEFBE 2182

Conclusie AG: Toevoeging Charlotte aan de term Port doet op ernstige wijze afbreuk aan de BOB Porto/Port

HvJ EU - CJUE 18 mei 2017, IEFBE 2182; ECLI:EU:C:2017:394 (EUIPO tegen Instituto dos Vinhos do Douro e do Porto), http://www.ie-forum.be/artikelen/conclusie-ag-toevoeging-charlotte-aan-de-term-port-doet-op-ernstige-wijze-afbreuk-aan-de-bob-porto-p
port charlotte

Conclusie AG HvJ EU 18 mei 2017, IEF 16809; IEFbe 2182; ECLI:EU:C:2017:394 ; C‑56/16 P (EUIPO tegen Instituto dos Vinhos do Douro e do Porto) Geografische aanduidingen. Woordmerk ‚Port Charlotte’. Mogelijkheid van erkenning van een aanvullend niveau van bescherming door het nationale recht. BOB voor wijn en een Uniemerk dat volgens de houders van de BOB op ongerechtvaardigde wijze gebruik heeft gemaakt van de kenmerkende geografische naam van de BOB Porto/Port. Het EUIPO heeft eerst het onderscheidende teken „Port Charlotte” ingeschreven als Uniemerk ter aanduiding van whisky, en wijst de door het IVDP ingestelde vordering tot nietigverklaring af. Gerecht EU wijst het beroep van IVDP gedeeltelijk toe; de hogere voorziening geeft blijk van een onjuiste opvatting dat, a) volgens EUIPO, BOB's bescherming ook door nationaal recht wordt geregeld en, b) volgens IVDP, bevestiging dat het merk PORT CHARLOTTE verenigbaar is met BOB Porto/Port. Conclusie AG: vernietig de beslissingen.

IEFBE 2181

Uitvoeringsverordening en gedelegeerde Verordening bij de EUMVo

FR ci-dessous. De nieuwe Uitvoerings- en de gedelegeerde verordening van de Uniemerkverordening zijn inmiddels door de Commissie goedgekeurd en kunnen hier geraadpleegd worden:  uitvoeringsverordening en gedelegeerde verordening (de documenten worden pas officieel gepubliceerd en in werking treden indien het Europees Parlement en de Raad geen bezwaren uiten binnen de wettelijk voorziene termijn).

Le nouveau Règlement d’exécution et le Règlement délégué du Règlement sur la marque de l’Union européenne ont entretemps été approuvés par la Commission. Pour consulter ces documents cliquez sur ces liens: règlement d’exécution en règlement délégué (les textes ne seront officiellement publiés et n’entreront en vigueur que si le Parlement européen et le Conseil ne font pas valoir des objections dans le délai légal prévu).

IEFBE 2177

6 juli - Jurisprudentielunch merken-, modellen-, auteursrecht

Aanmelden Op donderdag 6 juli 2017 organiseert eduLex, onderdeel van deLex, wederom een intensieve jurisprudentielunch. Tijdens deze bijeenkomst bespreken Charles Gielen, Paul Geerts en Joris van Manen met u de belangrijkste uitspraken op het gebied van het merken-, modellen- en auteursrecht. Van iedere uitspraak wordt de essentie en het belang voor de praktijk besproken. In slechts drie uur tijd bent u volledig op de hoogte van de ontwikkelingen in de meest recente rechtspraak van het afgelopen half jaar.

IEFBE 2180

EU-brede stopzetting van commercialisatie luchtbed op basis van ogenschijnlijk geldig Gemeenschapsmodel en auteursrechten op de Lamzac

11 mei 2017, IEFBE 2180; (Fatboy the Original tegen Makro en Belgocamp), http://www.ie-forum.be/artikelen/eu-brede-stopzetting-van-commercialisatie-luchtbed-op-basis-van-ogenschijnlijk-geldig-gemeenschapsmo
Lamzac Makro

Voorz. NL Rechtbank van KH Brussel 11 mei 2017, IEFbe 2180; IEF 16804 (Fatboy the Original tegen Makro en Belgocamp) Modelrecht. Auteursrechten. De stakingsrechter beveelt Makro op grond van het ogenschijnlijk geldig geregistreerd Gemeenschapsmodel van Fatboy en de ogenschijnlijk geldige auteursrechten van Fatboy op de Lamzac het te koop aanbieden van, reclame maken voor en verkopen van het luchtbed Loung'Air XL in haar vestigingen of via internet voorlopig stop te zetten in de volledige EU op straffe van dwangsom van €1000 per dag.

IEFBE 2179

Ex parte beschikkingen tegen 'opblaasbare loungers' van Blokker, Leen Bakker en Makro

Nederlandse jurisprudentie - Jurisprudence néerlandaise 3 mei 2017, IEFBE 2179; (Fatboy tegen Blokker; Leen Bakker en Makro), http://www.ie-forum.be/artikelen/ex-parte-beschikkingen-tegen-opblaasbare-loungers-van-blokker-leen-bakker-en-makro
lamzac beschikking

Ex parte beschikking Vzr. Rechtbank Den Haag 3 mei 2017 (Fatboy tegen Blokker), 9 mei (tegen Leen Bakker) en 18 mei 2017 (tegen Makro), IEF 16803. Merkenrecht. Modellenrecht. Grijsmaking volgens 1019b-d en 1019e Rv. Gestelde inbreuk op merken- en modellenrechten op de LAMZAC THE ORIGINAL door de verkoop van de 'opblaasbare lounger'. Voorzieningenrechter beveelt staking binnen 4 uur na betekening voor aanbieden via Blokker.nl als in de winkelfilialen en verwijdering van afbeelding van de website en in de folder. Op last van een dwangsom van €25 per product of €5000 per dag(deel), met maximum van €250.000. Leen Bakker blijkt een zustervennootschap van Blokker te zijn, het is Fatboy niet bekend of Blokker de voorraden heeft doorgespeeld aan Leen Bakker. Staking binnen 24 uur door Leen Bakker, en 12 uur door Makro met dwangsom van €250 per product of €5000 per dag(deel), met maximum van €250.000.

IEFBE 2178

HvJ EU: wanneer een kleindochter vennootschap een 'EU-vestiging' is

HvJ EU - CJUE 18 mei 2017, IEFBE 2178; ECLI:EU:C:2017:390 (Hummel tegen Nike), http://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-wanneer-een-kleindochter-vennootschap-een-eu-vestiging-is

HvJ EU 18 mei 2017, IEF 16802; IEFbe 2178; C-617/15; ECLI:EU:C:2017:390 (Hummel tegen Nike) Procesrecht. Bevoegheid. Merkenrecht. Verzoekster is een in Denemarken gevestigde sportartikelenfabrikant en houdster van een internationaal beeldmerk. HvJ EU: Artikel 97, lid 1 UniemerkVo moet aldus worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde juridisch onafhankelijke vennootschap die een dochtervennootschap is van een moedermaatschappij die niet in de EU is gezeteld, een „vestiging” in de zin van deze bepaling van deze moedermaatschappij vormt, wanneer deze dochter een centrum van werkzaamheid is dat, in de lidstaat waar zij is gelegen, beschikt over een vorm van werkelijke en stabiele aanwezigheid van waaruit een bedrijfsactiviteit wordt verricht, en dat zich naar buiten duurzaam manifesteert als het verlengstuk van de moedermaatschappij.

 

IEFBE 2176

BGH over opslaan van dynamische IP-adressen

16 mei 2017, IEFBE 2176; VI ZR 135/13 (Breyer tegen Duitsland), http://www.ie-forum.be/artikelen/bgh-over-opslaan-van-dynamische-ip-adressen

BGH 16. Mai 2017, IT 2283; IEFbe 2176; VI ZR 135/13 (Breyer tegen Duitsland) Telecom. Datasecurity. Privacy. Duitse BGH na HvJ EU [IT 2155]. Der Kläger verlangt von der beklagten Bundesrepublik Deutschland Unterlassung der Speicherung von dynamischen IP-Adressen. Dies sind Ziffernfolgen, die bei jeder Einwahl vernetzten Computern zugewiesen werden, um deren Kommunikation im Internet zu ermöglichen. Bei einer Vielzahl allgemein zugänglicher Internetportale des Bundes werden alle Zugriffe in Protokolldateien festgehalten mit dem Ziel, Angriffe abzuwehren und die strafrechtliche Verfolgung von Angreifern zu ermöglichen. Dabei werden unter anderem der Name der abgerufenen Seite, der Zeitpunkt des Abrufs und die IP-Adresse des zugreifenden Rechners über das Ende des jeweiligen Nutzungsvorgangs hinaus gespeichert. Der Kläger rief in der Vergangenheit verschiedene solcher Internetseiten auf.

 

IEFBE 2175

Geen vermelding van ompakker of heretiketteerder, maakt inbreuk op merkenrechten MSD

Brussel - Bruxelles(Fr./Nl.) 27 apr 2017, IEFBE 2175; (MSD tegen PI Pharma), http://www.ie-forum.be/artikelen/geen-vermelding-van-ompakker-of-heretiketteerder-maakt-inbreuk-op-merkenrechten-msd
singulair

Voorz. NL Rechtbank van KH Brussel 27 april 2017, IEF 16797; IEFbe 2175 (MSD tegen PI Pharma) BMS (Bristol-Myers Squibb)-voorwaarden [C-427/93, C-429/93 en C-436/93] Ompakken geneesmiddelen. Merkenrecht. De voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel bevestigt in de eerste plaats de schending van de derde BMS-voorwaarde. De voorzitter past daarbij het arrest van het Hof van Justitie inzake Orifarm (C-400/09) toe en bevestigt dat ofwel de daadwerkelijke ompakker/heretiketteerder moeten worden vermeld, ofwel de entiteit die daarvoor de verantwoordelijkheid draagt. Het volstaat niet dat één van deze entiteiten louter wordt vermeld (bijvoorbeeld voorafgegaan door “ingevoerd door”); er dient wel degelijk ook vermelding te worden gemaakt van “omgepakt door”. Ook een bevestiging vanwege het FAGG dat de term “omgepakt door” mag worden weggelaten, vormt geen rechtvaardiging om één van de BMS-voorwaarden te negeren.

 

IEFBE 2174

Aanvraag beeldmerk AIR HOLE FACE MASKS YOU IDIOT te kwader trouw

Gerecht EU - Tribunal UE 16 mei 2017, IEFBE 2174; ECLI:EU:T:2017:335 (Airhole Facemasks tegen EUIPO), http://www.ie-forum.be/artikelen/aanvraag-beeldmerk-air-hole-face-masks-you-idiot-te-kwader-trouw

Gerecht EU 16 mei 2017, IEF 16795;  IEFbe 2174; ECLI:EU:T:2017:335 (Airhole Facemasks tegen EUIPO) Uniebeeldmerk AIR HOLE FACE MASKS YOU IDIOT. Nietigheidsprocedure. Kwade trouw. Artikel 52, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 – Wijzigingsbevoegdheid. De nietigheidsafdeling heeft het betwiste merk in zijn geheel nietig verklaard en sindustrysurf verwezen in de kosten. In het bijzonder heeft de nietigheidsafdeling geoordeeld dat sindustrysurf bij de indiening van de aanvraag van het betwiste merk te kwader trouw was. Sindustrysurf beschikte niet over een legitieme reden om het betwiste merk op haar eigen naam aan te vrage. De kamer van beroep heeft ten onrechte heeft besloten dat zij niet te kwader trouw was. De beslissing wordt vernietigd en het beroep van sindustrysurf wordt verworpen.

 

IEFBE 2173

Advies HvJ EU over vrijhandelsovereenkomst met Singapore - bescherming van IE

HvJ EU - CJUE 16 mei 2017, IEFBE 2173; ECLI:EU:C:2017:376 (Vrijhandelsovereenkomst met Singapore), http://www.ie-forum.be/artikelen/advies-hvj-eu-over-vrijhandelsovereenkomst-met-singapore-bescherming-van-ie

Advies van het HvJ EU 16 mei 2017, IEF 16794; IEFbe 2173; advies 2/15; ECLI:EU:C:2017:376 (Vrijhandelsovereenkomst met Singapore) Heeft de Unie de vereiste bevoegdheid om alleen de vrijhandelsovereenkomst met Singapore te ondertekenen en te sluiten? Verbintenissen inzake de bescherming van intellectuele eigendom. Volgens artikel 207, lid 1, VWEU omvat de gemeenschappelijke handelspolitiek „de handelsaspecten van intellectuele eigendom”.

112. De door de Unie aangegane internationale verbintenissen op het gebied van de intellectuele eigendom vallen onder deze „handelsaspecten” wanneer zij specifiek verband houden met het internationale handelsverkeer doordat zij in wezen tot doel hebben deze handel te bevorderen, te vergemakkelijken of te regelen en daarop een rechtstreeks en onmiddellijk effect hebben [arrest van 18 juli 2013, Daiichi Sankyo en Sanofi-Aventis Deutschland, C‑414/11, EU:C:2013:520, punten 49‑52, alsook advies 3/15 (Verdrag van Marrakesh inzake de toegang tot gepubliceerde werken) van 14 februari 2017, EU:C:2017:114, punt 78].

IEFBE 2172

1 juni - Benelux Merkencongres

Op donderdag 1 juni 2017 vindt het Benelux Merkencongres plaats in Het College Hotel in Amsterdam. Tijdens het Benelux Merkencongres worden alle recente ontwikkelingen in wetgeving en rechtspraak besproken en wordt stilgestaan bij de impact daarvan op de praktijk. Daarnaast komen de volgende onderwerpen tijdens het congres aan bod: - actualiteiten - referend merkgebruik - Het nieuwe recht tegen goederen in transit: scope en bewijslast - Likelihood of confusion and trademark searches - Artificial Intelligence en merkinbreuk opsporen - begripsmatige overeenstemming en, beweerdelijke decoratief, gebruik van teksten op kleding. Lees het complete programma hier

IEFBE 2171

Vragen aan HvJ EU over verlopen nationale merken en gebruik van een Uniemerk dat daarop is gebaseerd

HvJ EU - CJUE 23 mrt 2017, IEFBE 2171; C-148/17 (Peek & Cloppenburg), http://www.ie-forum.be/artikelen/vragen-aan-hvj-eu-over-verlopen-nationale-merken-en-gebruik-van-een-uniemerk-dat-daarop-is-gebaseerd

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU 23 februari 2017, IEF 16785; IEFbe 2171; C-148/17 (Peek & Cloppenburg) Merkenrecht. Het Duitse BGH vraagt uitleg van artikel 14 Vo 2008/95/EC en 34 lid 2 Uniemerkenrichtlijn. Verzoekster Peek en Cloppenburg Hamburg en verweerster Peek en Cloppenburg Düsseldorf zijn ondernemingen in de kledingsector. Zij zijn juridisch en economisch onafhankelijk van elkaar. Verzoekster is houdster van het woord- en beeldmerk PuC met voorrang uit het jaar 1953 voor kleding en verweerster voor woordmerk PUC uit 1978 en 1982 ook voor kleding. Verzoekster vraagt verweerster op 18-11-2004 om vrijwillige doorhaling van haar DUI woordmerken PUC wegens verval en als daar geen gehoor aan wordt gegeven start zij 11-02-2005 een procedure tot doorhaling, een zaak die in juli 2005 in der minne wordt geschikt: de twee woordmerken worden na afstand door verweerster doorgehaald. Verweerster beschikt ook over een op 06-04-2001 ingeschreven Uniewoordmerk PUC voor kleding. Dit merk roept voor het toepassingsgebied van DUI de anciënniteit van de twee doorgehaalde nationale merken van verweerster in. Verzoekster stapt op 12-03-2010 weer naar de rechter en vordert dat verweerster niet langer de anciënniteit van de doorgehaalde nationale merken kan inroepen. Zij stelt dat de nationale merken vóór doorhaling reeds vatbaar waren voor verval en dat de merken hadden kunnen worden doorgehaald op grond van verzoeksters oudere merkrechten. Zowel de lagere als de appelrechter stellen verzoekster in het gelijk. De zaak ligt nu voor in ‘Revision’ bij de verwijzende rechter. 

Voor de verwijzende DUI rechter (Bundesgerichtshof) hangt de beslissing af van nadere uitleg van artikel 14 van RL 2008/95 en artikel 34.2 van Vo. 207/2009. Volgens het DUI merkenrecht kan vervallenverklaring van een merk alleen worden vastgesteld indien de voorwaarden voor doorhaling reeds waren vervuld op het tijdstip waarop het merk werd doorgehaald wegens niet vernieuwen van de beschermingsperiode of na afstand. Maar de DUI wetgever heeft een tweede vereiste gesteld: het nationale merk moet reeds op het tijdstip van doorhaling in het register met succes door middel van een vordering tot doorhaling wegens onvoldoende gebruik zijn aangevochten. Derhalve vereist de vaststelling van de vervallenverklaring van een merk waarvoor een daaraan gelijk Uniemerk de anciënniteit inroept, een beoordeling van de voorwaarden voor vervallenverklaring op twee verschillende tijdstippen. Dienovereenkomstig worden aan het slagen van een vordering tot vaststelling van de vervallenverklaring van een doorgehaald nationaal merk waarvan de anciënniteit door een Uniemerk wordt ingeroepen, hogere eisen gesteld dan aan het slagen van een vordering tot doorhaling op grond van de DUI merkenwet. Hij vraagt zich echter af of deze regeling verenigbaar is met EU-recht. 

In tegenstelling tot het oordeel van de appelrechter is de verwijzende rechter van mening dat door het beëindigen van de doorhalingsprocedure zonder rechterlijke beslissing de blokkerende werking van de Merkenwet is geëindigd zodat in beginsel de nationale merken weer rechtsinstandhoudend hadden kunnen worden gebruikt. Maar of dat zo is is afhankelijk van de vraag welk rechtsgevolg het inroepen van de anciënniteit van het oudere nationale merk door het Uniemerk volgens artikel 34.2 van Vo. 207/2009 heeft. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Is het verenigbaar met artikel 14 van richtlijn 2008/95/EG dat de nietigheid of vervallenverklaring van een nationaal merk dat de basis vormt voor het inroepen van de anciënniteit van een Uniemerk en waarvan de houder afstand heeft gedaan of dat hij heeft laten vervallen, achteraf alleen kan worden vastgesteld indien aan de voorwaarden voor nietigheid of vervallenverklaring is voldaan niet alleen op het tijdstip waarop van het merk afstand wordt gedaan of waarop het merk vervalt, maar ook op het tijdstip van de rechterlijke beslissing waarbij de nietigheid of de vervallenverklaring wordt vastgesteld?

2. Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, heeft het inroepen van de anciënniteit overeenkomstig artikel 34, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 als rechtsgevolg dat het nationale merkrecht vervalt en niet meer rechtsinstandhoudend kan worden gebruikt, of blijft het nationale merk op grond van het Unierecht gehandhaafd, ook wanneer het niet meer in het register van de betrokken lidstaat is opgenomen, zodat het merk nog steeds rechtsinstandhoudend kan en moet worden gebruikt?