Het Gerecht oordeelt dat tussen CAMALEON EL NATURALISTA en El Naturalista geen verwarringsgevaar bestaat
Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23476; IEFbe 4191; ECLI:EU:T:2026:256 (Laboratorios ACPG, SA tegen EUIPO en Laboratorio de Cosmética Armonía, SA). Het Gerecht heeft het beroep van Laboratorios ACPG verworpen en daarmee het besluit van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 26 november 2024 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde figuratieve Uniemerk CAMALEON EL NATURALISTA en het oudere figuratieve Uniemerk El Naturalista geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. De aanvraag betrof klasse 3-waren, namelijk parfumerie, etherische oliën, cosmetica, haarlotions, tandpasta, make-upproducten en cosmetische crèmes. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniemerk El Naturalista, eveneens onder meer ingeschreven voor klasse 3-waren, en voor dat oudere merk was normaal gebruik voor de betrokken klasse 3-producten aangetoond. De Kamer van Beroep had geoordeeld dat het relevante publiek bestond uit professionals en het algemene publiek in de Unie, dat het aandachtsniveau van het algemene publiek normaal was en dat de betrokken producten identiek waren. Voor het Gerecht voerde Laboratorios ACPG aan dat de Kamer van Beroep de onderscheidende en dominante bestanddelen, de mate van overeenstemming tussen de tekens, het intrinsieke onderscheidend vermogen van het oudere merk en de mogelijkheid dat het aangevraagde merk als variant of submerk van het oudere merk zou worden opgevat, onjuist had beoordeeld. Het Gerecht verduidelijkte bovendien dat het niet bevoegd was om, zoals subsidiair verzocht, zelf de inschrijving van het aangevraagde merk te weigeren, zodat dat onderdeel van het petitum wegens onbevoegdheid moest worden afgewezen.
Het Gerecht oordeelt dat tussen Ibumax-Lysin en ibum verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo
Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23475, IEFbe 4190; ECLI:EU:T:2026:257 (Vitabalans Oy tegen EUIPO en Hasco TM sp. z o.o. sp.k.). Het Gerecht heeft het beroep van Vitabalans verworpen en daarmee het besluit van de Eerste Kamer van Beroep van het EUIPO van 29 april 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Ibumax-Lysin en het oudere Poolse woordmerk ibum verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vitabalans had Ibumax-Lysin aangevraagd voor “ibuprofen for use as an oral analgesic” in klasse 5, terwijl Hasco TM oppositie had ingesteld op basis van onder meer het oudere Poolse merk ibum, dat onder meer is ingeschreven voor farmaceutische producten en analgesica in klasse 5. Het Gerecht bevestigde allereerst dat de bijlagen A.6 tot en met A.8, die pas voor het eerst voor het Gerecht waren overgelegd, niet-ontvankelijk waren, omdat de rechtmatigheidstoetsing beperkt blijft tot het feitelijke en juridische kader dat voor de Kamer van Beroep bestond. Verder onderschreef het Gerecht dat het relevante publiek zich in Polen bevindt en bestaat uit zowel het algemene publiek als gezondheidsprofessionals, die bij farmaceutische producten een hoog aandachtsniveau hebben. Ook de warenvergelijking hield stand: “ibuprofen for use as an oral analgesic” valt binnen de ruimere categorieën “pharmaceutical products” en meer specifiek “analgesics” van het oudere merk, zodat de betrokken waren identiek zijn.
Actualiteiten merken-, modellen- en auteursrecht op woensdag 22 april
Op woensdag 22 april 2026 organiseren we de voorjaarseditie van actualiteiten merken- modellen- en auteursrecht.
Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van productvormgeving, auteursrecht en merkenrecht, met Selmer Bergsma (De Brauw Blackstone Westbroek), Jesse Hofhuis (HOFHUIS) en Joris van Manen (HOYNG ROKH MONEGIER). In slechts drie uur tijd, tijdens de lunch, heeft u weer het complete overzicht.
Het Gerecht oordeelt dat tussen Serosan en CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat
Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23474; IEFbe 4189; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV). Het Gerecht heeft het beroep van Ionfarma verworpen en daarmee het besluit van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 22 mei 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Serosan en het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vision Healthcare had Serosan aangevraagd voor een reeks waren in klasse 5, waaronder voedingssupplementen, kruidenpreparaten, vitaminen, sedativa, tonica, probiotica, eiwit- en enzymsupplementen en plantaardige extracten voor farmaceutische doeleinden. Ionfarma stelde oppositie in op basis van het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN voor “soaps, cosmetics” in klasse 3; op verzoek van Vision Healthcare leverde Ionfarma tevens bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De oppositieafdeling wees de oppositie af, waarna ook de Kamer van Beroep het beroep verwierp. Het Gerecht stelde voorop dat het relevante territorium Spanje is en dat het relevante publiek bestaat uit afnemers van zowel de klasse 3-waren als de klasse 5-waren; voor de waren van het oudere merk geldt een gemiddeld aandachtsniveau en voor de gezondheidsgerelateerde waren van het aangevraagde merk een hoog aandachtsniveau, zodat het relevante aandachtsniveau varieert van gemiddeld tot hoog. Voor de vergelijking van de waren sloot het Gerecht zich aan bij de door de Kamer van Beroep uit proceseconomische redenen gekozen, voor Ionfarma meest gunstige aanname dat de betrokken waren identiek zijn, juist omdat de Kamer van Beroep de warenvergelijking niet inhoudelijk had uitgewerkt en het niet aan het Gerecht is om dat voor het eerst zelf te doen.
Het Gerecht oordeelt dat tussen LEONHART en EL LEON voor het Spaanse publiek geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo
Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23473; IEFbe 4188; ECLI:EU:T:2026:259 (Instanta sp. z o.o. tegen EUIPO en Heineken España, SA). In zijn arrest in zaak T-461/25 heeft het Gerecht het besluit van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 12 mei 2025 vernietigd en gewijzigd, omdat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk LEONHART en het oudere Spaanse figuratieve merk EL LEON geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Instanta had LEONHART aangevraagd voor waren in de klassen 30 en 32, waarna Heineken España oppositie instelde op basis van haar oudere Spaanse figuratieve merk EL LEON, dat onder meer was ingeschreven voor waren in klasse 32. De oppositieafdeling had de oppositie toegewezen en de Kamer van Beroep had het daartegen ingestelde beroep verworpen. Het Gerecht stelde voorop dat het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek als het professionele publiek in Spanje met een gemiddeld aandachtsniveau, en liet ook in stand dat de betrokken waren identiek dan wel gemiddeld soortgelijk zijn. Wel verklaarde het Gerecht het pas voor het eerst in beroep aangevoerde argument dat het element “hart” door het Spaanse publiek met het woord harto in verband zou kunnen worden gebracht, alsmede het daarbij overgelegde woordenboekuittreksel, niet-ontvankelijk, omdat dit betoog niet reeds voor de Kamer van Beroep was aangevoerd en dus buiten het feitelijke en juridische kader van het geding viel.
HvJ EU: pastiche-exceptie is geen restcategorie; sampling kan eronder vallen bij een herkenbare artistieke of creatieve dialoog
HvJ EU 14 april 2026, IEF 23472; 4187; ECLI:EU:C:2026:290 (CG en YN tegen Pelham GmbH, SD en OMHOOG). In dit arrest geeft het Hof van Justitie een autonome Unierechtelijke uitleg aan het begrip ‘pastiche’ in artikel 5, lid 3, onder k, van Richtlijn 2001/29, in het kader van de langlopende Pelham/Kraftwerk-zaak over de overname van een circa twee seconden durende ritmische sequentie uit Metall auf Metall in het nummer Nur mir. Het Hof stelt voorop dat de pastiche-exceptie geen vangnetbepaling is voor iedere vorm van creatief of artistiek gebruik van bestaand beschermd materiaal. Van een pastiche is slechts sprake bij creaties die aan een of meer bestaande werken herinneren, daarvan waarneembaar verschillen, en bepaalde auteursrechtelijk beschermde kenmerkende elementen van die werken gebruiken om met die werken een als zodanig herkenbare artistieke of creatieve dialoog aan te gaan. Die dialoog kan verschillende vormen aannemen, zoals een openlijke stijlnabootsing, een hommage of een humoristische of kritische confrontatie, maar het Hof benadrukt dat humor, bespotting, stijlnabootsing of eerbetoon geen noodzakelijke vereisten zijn. Tegelijk sluit het Hof uit dat verborgen imitatie of plagiaat onder de exceptie valt: het moet gaan om open en herkenbaar gebruik. Daarmee zoekt het Hof, in het licht van de doelstelling van Richtlijn 2001/29 en de artikelen 11, 13 en 17 van het Handvest, een rechtvaardig evenwicht tussen de bescherming van auteurs- en naburige rechten enerzijds en de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid anderzijds.
Tot vandaag: vroegboekkorting voor Life Sciences & Recht
Vandaag is de laatste dag dat u zich met vroegboekkorting kunt aanmelden voor het seminar Life Sciences & Recht op dinsdag 12 mei 2026. Onder leiding van Judith Krens (Pinsent Masons), Hester Borgers (Bird & Bird) en Erik Vollebregt (Axon Lawyers) bespreken we de actuele ontwikkelingen omtrent Life Sciences & Recht.
We staan onder andere stil bij de hervorming van de Europese farmaceutische wetgeving die in aantocht is: de EU Pharma Reform. We bespreken de belangrijkste veranderingen (e.g. regulatory exclusivities, verplichtingen rondom beschikbaarheid en toeleveringszekerheid, de Bolar-exceptie) en de praktische implicaties voor de industrie.
Verder besteden we een deel van de middag aan de een update over de Europese medische hulpmiddelen wetgeving (MDR/IVDR).
De middag wordt afgesloten met een interactief paneldebat waarin we de brug slaan tussen regelgeving en rechtspraktijk. Centraal staat de vraag: hoe beïnvloedt de (veranderende) life sciences wetgeving de (octrooi)procespraktijk?
Prejudiciële vraag gesteld over verwerking van persoonsgegevens binnen reisautorisaties
Prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU 17 december 2025, IT 5185; IEFbe 4177; C-846/25 (Ligue des droits humains ASBL tegen Eerste Minister) via MinBuza. Ligue des droits humains (hierna: verzoeker) heeft in 2024 een beroep ingesteld bij het Grondwettelijke Hof tot vernietiging van een wet betreffende de oprichting en organisatie van de opdrachten van ETIAS Nationale Eenheid (hierna: E.N.E). De wet regelt onder meer de verwerking van persoonsgegevens in het kader van reisautorisaties binnen de EU, risicobeoordelingen, het gebruik van het ETIAS-informatiesysteem, en de procedures rond het intrekken en annuleren van reisautorisaties. Verzoeker stelt dat de combinatie van het beheren van veiligheidsrisico's en het beheer van de grenzen leidt tot een strafbaarstelling van migratie, wat een onevenredige inbreuk op de grondrechten (zoals het recht op privacy en gegevensbescherming) inhoudt. Volgens verzoeker zou artikel 3, lid 1, punt 6, van de ETIAS-verordening een te ruime en onvoldoende nauwkeurige definitie van "veiligheidsrisico" geven. De Ministerraad verdedigt de wet en stelt dat het kritiek gericht is tegen de bewoording van de ETIAS-verordening zelf, waarover het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is te oordelen, en dat de wet voldoende waarborgen en regelingen bevat die in overeenstemming zijn met de Grondwet en internationale normen. In het kader van dit beroep rijst voor het Grondwettelijk Hof de vraag of de nationale wet, die uitvoering geeft aan de ETIAS-verordening, voldoende nauwkeurig is omschreven en verenigbaar is met het Unierecht.
Laatste plekken voor het seminar over de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026
Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.
In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.
Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.
Prejudiciële vragen gesteld over een vaste prijs op een webshop
Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 4 december 2025, RB 3995; IEFbe 4180; C-780/25 (Desch-Drexler Buch- und Papierhandels & Verlags GmbH tegen UO) via MinBuza. Verzoekster exploiteert een boekhandel in Oostenrijk met een onlineshop voor klanten met een postadres in Oostenrijk. Verweerder exploiteert een onlineshop op het platform Amazon Marketplace Deutschland, waar hij ook aan Oostenrijkse klanten onder meer Duitstalige boeken aanbiedt en verkoopt. In Oostenrijk hebben bepaalde boeken een minimumprijs. Verzoekster vordert in deze zaak verweerder te verbieden om boeken onder die minimumprijs te verkopen aan Oostenrijkse eindverbruikers op het platform. De Oostenrijkse rechter stelt het Hof diverse vragen over de verenigbaarheid met het Unierecht van de regel.
























