AI en auteursrecht medio 2026: internationale consensus over output, verdeeldheid over input
In aanloop naar het ALAI Congress 2026 in Den Haag zijn achttien nationale rapporten gepubliceerd over auteursrecht en AI. De rapporten zijn afkomstig uit verschillende rechtsstelsels, waaronder diverse EU-lidstaten, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Mexico, Argentinië en Zwitserland. Daarnaast organiseerde deLex afgelopen week een online update over AI en auteursrecht met professor Daniel Gervais, waarin de meest recente internationale ontwikkelingen op dit terrein werden besproken.
De rapporten en online update bieden samen een scherp overzicht van de huidige stand van het internationale debat rond AI en auteursrecht. Daarbij valt een duidelijke tweedeling op. Over de outputzijde van generatieve AI bestaat veel consensus, terwijl de opvattingen over de inputzijde juist uiteenlopen. In dit artikel bespreken we deze ontwikkelingen uitgebreider.
MUKA/LAMUCCA: nietigverklaring van Uniebeeldmerk wegens verwarringsgevaar voor restaurantdiensten
Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23566; IEFbe 4223; ECLI:EU:T:2026:341 (Ixo Restauración, SL tegen EUIPO en Promollum 142 B, SL). In dit arrest gaat het om een nietigheidsprocedure tegen het Uniebeeldmerk MUKA, bestaande uit het woordelement “muka” in licht gestileerde zwarte hoofdletters, geregistreerd voor catering-/restaurantdiensten in klasse 43. Promollum 142 B, SL verzocht om nietigverklaring op basis van haar oudere Spaanse woordmerk LAMUCCA, eveneens geregistreerd voor catering-/restaurantdiensten in klasse 43. De nietigheidsgrond was artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo, maar de nietigheidsafdeling en vervolgens de Kamer van Beroep wezen de nietigheid toe op grond van verwarringsgevaar ex artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Ixo Restauración betoogde bij het Gerecht onder meer dat normaal gebruik van het oudere merk niet was bewezen, omdat het bewijs volgens haar vooral betrekking had op voedingsmiddelen of verkoopdiensten en niet op restaurantdiensten. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Voor de relevante perioden, 20 september 2018 tot en met 19 september 2023 en, vanwege de vijfjaarstoets op de datum van aanvraag van het jongere merk, 8 april 2017 tot en met 7 april 2022, had Promollum voldoende bewijs overgelegd van daadwerkelijk gebruik van LAMUCCA voor restaurantdiensten in Spanje. Daarbij ging het onder meer om persartikelen, belasting- en btw-aangiften, leveranciersverklaringen, kassabonnen, facturen en stukken waaruit bleek dat restaurants binnen de LAMUCCA-groep onder dat teken diensten aanboden. Dat sommige stukken betrekking hadden op eten of ingrediënten deed daaraan niet af, omdat de kassabonnen wezen op bereide gerechten die ter plaatse werden geconsumeerd, bijvoorbeeld in de zaal of op het terras, en leveranciersfacturen zagen op onder meer bestek, ingrediënten en drank voor restaurants die onder LAMUCCA exploiteerden. Ook gebruik door restaurants zoals “Lamucca Andes”, “Lamucca Carmen” en “Lamucca Fuencarral” kon worden meegewogen, omdat dat gebruik door de merkhouder was toegestaan. Bovendien kan gebruik als handelsnaam of vennootschapsnaam als merkgebruik gelden wanneer de betrokken diensten zelf onder dat teken worden aangeboden, wat hier het geval was.
OBELIX en wapens: EUIPO beoordeelde de reputatiebescherming te beperkt
Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23565; IEFbe 4222; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI). In dit arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 mei 2026 staat een nietigheidsprocedure centraal over het Uniewoordmerk Obelix, dat door WORKS 11 Michał Lubiński was geregistreerd voor wapens, munitie en aanverwante producten in klasse 13. Les Éditions Albert René, rechthebbende achter de Asterix- en Obelix-franchise, vorderde nietigverklaring op basis van haar oudere Uniewoordmerk OBELIX, geregistreerd voor onder meer waren en diensten in de klassen 9, 16, 25, 28 en 41. De vordering was gebaseerd op artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo. De nietigheidsafdeling wees het verzoek af wegens onvoldoende bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De Kamer van Beroep liet het normaal gebruik vervolgens uit proceseconomische overwegingen in het midden en beoordeelde de zaak alsof normaal gebruik was aangetoond. Zij oordeelde dat geen verwarringsgevaar bestond, omdat de betrokken waren en diensten ongelijksoortig waren, en dat artikel 8 lid 5 UMVo evenmin toepassing vond, omdat de reputatie van het oudere merk niet voldoende was bewezen en het relevante publiek geen verband zou leggen tussen Obelix voor wapens en het oudere merk OBELIX. Het Gerecht verwerpt de motiveringsklacht van Les Éditions Albert René: de beslissing was niet innerlijk tegenstrijdig, omdat de Kamer van Beroep normaal gebruik slechts hypothetisch aannam en vervolgens afzonderlijk de reputatie van het oudere merk beoordeelde. Ook heeft de Kamer van Beroep daarmee niet de geldigheid van het oudere merk ter discussie gesteld en evenmin geoordeeld dat namen van fictieve personages niet als merk kunnen functioneren.
Verval van Benelux-beeldmerk "KIF Radio" wegens ontbreken van normaal gebruik
BenGH 18 maart 2026, IEF 23561; IEFbe 4221; C 2024/18 ([verzoeker] tegen [verweerster]). In deze zaak staat de vraag centraal of een Benelux-beeldmerk voor “KIF Radio” vervallen kan worden verklaard wegens het ontbreken van normaal gebruik. Het Benelux-Gerechtshof bevestigt de beslissing van het BBIE en oordeelt dat daarvan sprake is. Het enkele gebruik van tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt, volstaat in dit geval niet als gebruik van het ingeschreven merk. [verzoeker] is houder van een semi-figuratief merk voor onder meer telecommunicatie- en culturele diensten. Mediazone heeft bij het BBIE een vordering tot doorhaling ingesteld, stellende dat het merk tijdens een periode van vijf jaar niet normaal is gebruikt. Het BBIE heeft die vordering toegewezen en het merk vervallen verklaard. In beroep voert [verzoeker] aan dat wel degelijk sprake is van gebruik, omdat Mediazone het teken “KIF” en varianten daarvan heeft gebruikt voor radio-uitzendingen, naar zijn zeggen met zijn toestemming en dus op basis van een licentie. Het Hof stelt voorop dat van normaal gebruik sprake is wanneer het merk daadwerkelijk wordt gebruikt overeenkomstig zijn wezenlijke functie, namelijk het waarborgen van de herkomst van de betrokken diensten, met het oog op het verkrijgen of behouden van afzet. Symbolisch gebruik is onvoldoende. Ook gebruik in een afwijkende vorm kan relevant zijn, mits het onderscheidend vermogen van het merk in de ingeschreven vorm niet wordt gewijzigd. Vaststaat dat Mediazone vanaf 2019 radioactiviteiten verricht onder tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt. Volgens [verzoeker] moet dit worden aangemerkt als gebruik van het merk, omdat het onderscheidend vermogen wordt gedragen door het woordelement en de grafische verschillen ondergeschikt zijn. Het Hof volgt dat betoog niet. Het stelt vast dat de door Mediazone gebruikte tekens op essentiële punten afwijken van het ingeschreven beeldmerk, onder meer wat betreft lettertype, vormgeving van de letters, compositie en de vorm van de achtergrond. Hoewel er overeenkomsten bestaan, zijn de verschillen te groot en te opvallend om als verwaarloosbaar te worden beschouwd. Daarmee kan niet worden gesproken van gebruik van het merk in een vorm die het onderscheidend vermogen onverlet laat.
Volg deLex op LinkedIn
Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.
Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.
Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.
Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.
Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.
HvJ EU geeft duidelijkheid over vergoeding voor nieuwscontent op platforms
HvJ EU 12 mei 2026, IEF23546; ECLI:EU:C:2026:395 (Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni). In deze zaak draait het om de uitleg van artikel 15 DSM-richtlijn. De zaak speelt tussen Meta Platforms Ireland en de Italiaanse communicatieautoriteit AGCOM. Centraal staat een Italiaanse regeling die persuitgevers exclusieve rechten geeft op online gebruik van hun perspublicaties door online platforms. De regeling bepaalt daarnaast dat uitgevers aanspraak kunnen maken op een billijke vergoeding en legt verschillende verplichtingen op aan platforms. Meta maakte bezwaar tegen een besluit van AGCOM waarin criteria waren vastgesteld voor de berekening van die vergoeding. Volgens Meta geeft artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers uitsluitend exclusieve rechten, zoals reproductie en beschikbaarstelling, en geen zelfstandig vergoedingsrecht. Ook zou de Italiaanse regeling te ver ingrijpen in de contractsvrijheid en ondernemingsvrijheid van platforms, onder meer doordat zij verplicht worden te onderhandelen, gegevens te delen en de zichtbaarheid van perscontent tijdens onderhandelingen niet te beperken. Meta beriep zich daarnaast op strijd met verschillende bepalingen van Unierecht, waaronder artikel 109 en 119 VWEU en de e-commercerichtlijn. Het Hof heeft die onderdelen echter niet inhoudelijk beoordeeld, maar de betreffende prejudiciële vragen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet relevant waren voor de beslechting van het hoofdgeding. Het Hof stelt voorop dat artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers exclusieve rechten verleent om online gebruik van hun perspublicaties toe te staan of te verbieden. De inhoud van die rechten volgt uit Richtlijn 2001/29. Lidstaten mogen deze exclusieve rechten niet vervangen door een louter vergoedingsrecht. Tegelijkertijd sluit artikel 15 DSM-richtlijn niet uit dat toestemming voor gebruik wordt gekoppeld aan betaling van een vergoeding, zolang het exclusieve karakter van het recht behouden blijft. Dat betekent dat persuitgevers toestemming moeten kunnen weigeren en hun rechten ook kosteloos moeten kunnen licentiëren, bijvoorbeeld via royaltyvrije licenties. Platforms mogen bovendien niet verplicht worden een vergoeding te betalen wanneer zij de publicaties niet gebruiken of niet willen gebruiken. Volgens het Hof mogen lidstaten regels vaststellen die het gebruik van deze rechten structureren, mits die regels de exclusieve rechten niet uithollen en aansluiten bij de doelstellingen van de DSM-richtlijn, waaronder een hoog beschermingsniveau en een sterkere onderhandelingspositie voor persuitgevers.
Verwarringsgevaar tussen proGlan en PRO PLAN
Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23534, IEFbe 4219; ECLI:EU:T:2026:315 (Ecuphar tegen EUIPO en Société des produits Nestlé SA). In T-291/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken proGlan, aangevraagd voor “medicines for anal gland function for veterinary use” in klasse 5. Nestlé had oppositie ingesteld op basis van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk PRO PLAN, geregistreerd voor “nutritional supplements for veterinary use” en “nutritional supplements for animal consumption” in klasse 5. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht verklaart allereerst dat het niet bevoegd is om zelf registratie van het aangevraagde merk toe te staan en dat het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling niet-ontvankelijk is, omdat bij het Gerecht alleen beslissingen van de Kamers van Beroep kunnen worden aangevochten. Inhoudelijk bevestigt het Gerecht dat het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek, zoals huisdiereigenaren, als professionals, zoals dierenartsen, binnen de Europese Unie. Professionals hebben doorgaans een hoog aandachtsniveau en ook het algemene publiek heeft een hoger dan gemiddeld aandachtsniveau, omdat de betrokken waren de gezondheid en het welzijn van dieren kunnen beïnvloeden. Dat verhoogde aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit.
Verwarringsgevaar tussen alma FARMACIE en ALMA HYBRID
Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23533; IEFbe 4218; ECLI:EU:T:2026:317 (Pharma Green Holding SpA SB tegen EUIPO en Alma Lasers Ltd). In T-480/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken alma FARMACIE, aangevraagd voor onder meer cosmetica, farmaceutische producten, voedingssupplementen en farmaceutische/medische diensten in de klassen 3, 5 en 44. Alma Lasers had daartegen oppositie ingesteld op grond van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk ALMA HYBRID, geregistreerd voor onder meer medische lasers, medische diensten en hygiëne- en schoonheidsverzorging. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht oordeelt dat de Kamer van Beroep haar beoordeling mocht beperken tot het Spaans- en Portugeestalige publiek, omdat voor weigering van een Uniemerk voldoende is dat verwarringsgevaar bestaat in een deel van de Unie. Voor cosmetica en schoonheidsverzorging geldt een gemiddeld aandachtsniveau, terwijl voor farmaceutische producten, voedingssupplementen en medische of farmaceutische diensten een hoog aandachtsniveau kan gelden vanwege het verband met gezondheid. Dat hogere aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit, omdat ook oplettende consumenten merken meestal niet rechtstreeks vergelijken en moeten afgaan op hun onvolmaakte herinnering.
Actualiteiten Privacyrecht op woensdag 24 juni 2026
Op woensdag 24 juni 2026 organiseren we vanaf 15.00 uur Actualiteiten Privacyrecht.
Tijdens deze middag nemen Quinten Kroes (Brinkhof) en Vita Zwaan (Rubicon Impact & Litigation) u mee in de ontwikkelingen en rechtspraak op het gebied van privacyrecht. In slechts twee uur tijd krijgt u een helder en actueel overzicht van relevante rechtspraak.
Tot 1 juni 2026 geldt een kortingsactie: meld u voor deze datum aan en ontvang €50 vroegboekkorting.
HvJEU: Vaste staatsinkomsten uit frequentievergoedingen toegestaan, mits niet boven marktwaarde
HvJ EU 5 maart 2026, IT 5248; IEFbe 4210; ECLI:EU:C:2026:156 ( Elettronica Industriale SpA tegen Ministero delle Imprese e del Made in Italy). In deze prejudiciële zaak staat de vraag centraal of lidstaten bij het vaststellen van vergoedingen voor het gebruik van digitale televisiefrequenties rekening mogen houden met vooraf vastgestelde begrotingsdoelstellingen. Aanleiding vormt een Italiaans stelsel waarbij de hoogte van de vergoedingen mede wordt bepaald door een wettelijk vastgelegd minimum aan jaarlijkse inkomsten voor de staatsbegroting. Een netwerkexploitant betwistte de geldigheid van deze regeling, omdat zij zou neerkomen op een zuiver fiscale heffing die niet verenigbaar is met het Unierechtelijke kader voor elektronische communicatie.


















