Liaise Advocaten verwelkomt partner Charissa Koster
Persbericht Liaise Advocaten 9 juli 2026
Charissa is nu een week bij ons en het samenwerken is nu al een feest. Haar praktijk én
persoonlijkheid matchen perfect met de onze.
Charissa Koster is een ervaren en bevlogen media-, IE- en tech-advocaat. Al jaren staat ze aan
de zijde van bekende mediapartijen: van BN'ers, kranten en uitgevers tot auteurs, film- en
televisieproducenten en gaming- en tech-bedrijven. In en buiten de rechtszaal. Ze is adviseur en
boardroom partner, maar net zo goed een actief procesadvocaat die soepel schakelt tussen
mediarecht, intellectueel eigendom, IT en ondernemersvraagstukken. Strategisch, scherp en
altijd op zoek naar het beste resultaat samen met de cliënt, of dat nu een start-up of een
multinational is.
Dit sluit perfect aan met waar we als Liaise Advocaten voor staan: vanuit een realistische en
persoonlijke stijl bouwen aan lange termijnrelaties met onze cliënten.
En we hebben ontzettend veel zin dit met Charissa samen nog verder te gaan uitbouwen!
Kan AI het auteursrecht juist redden? Een nieuwe visie op licenties in het AI-tijdperk
Mogen ontwikkelaars van generatieve AI auteursrechtelijk beschermde werken gebruiken voor de training van hun modellen? En zo ja, onder welke voorwaarden? De discussie wordt al langere tijd gevoerd, maar juridische duidelijkheid laat nog op zich wachten. Ondertussen speelt een interessante vervolgvraag: hoe ziet een werkbaar licentiesysteem eruit, ervan uitgaande dat toestemming en/of compensatie van de rechthebbende is vereist?
In deze bijdrage wordt die vervolgvraag belicht. Niet het voor de hand liggende scenario van collectief beheer, maar het meer experimentele concept waarin AI-agenten namens individuele makers licenties onderhandelen en beheren. Kan AI, de technologie die het huidige auteursrecht onder druk zet, uiteindelijk ook bijdragen aan een efficiëntere uitoefening daarvan?
Dit is een preview. Het volledige artikel is nu beschikbaar op www.AI-Forum.nl.
Aankondiging BIE-Scriptieprijs 2026
De redactie van Berichten Industriële Eigendom organiseert ook in 2026 weer de jaarlijkse competitie voor de “BIE-Scriptieprijs”.
Met de instelling van deze prijs beogen wij studenten te stimuleren zich te verdiepen in IE-vraagstukken en kennis te laten maken met het tijdschrift BIE. Onder IE verstaan wij hier het recht van de industriële eigendom (octrooi-, merken-, modellen-, handelsnaam-, databanken-en kwekersrecht plus het recht inzake geografische aanduidingen) alsmede het recht van de ongeoorloofde mededinging, inclusief de bescherming van bedrijfsgeheimen. Ook scripties over auteursrecht kunnen meedingen voor zover deze (mede) betrekking hebben op de hiervoor genoemde gebieden, zoals industriële vormgeving, technische excepties, cumulatie van beschermingsregimes, e.d.
De prijs voor de beste IE-scriptie bedraagt € 1500. Daarnaast vragen we de auteur om voor BIE een artikel te schrijven op basis van zijn of haar scriptie.
Eenieder kan goede scripties op het gebied van IE aanmelden en inzenden voor de BIE-Scriptieprijs. Docenten op het gebied van IE worden speciaal daartoe uitgenodigd. De inlevertermijn eindigt op 1 oktober 2026. De jury beslist in die maand. De fysieke uitreiking van de prijs vindt plaats tijdens de redactielunch op woensdag 11 november 2026.
Scripties mogen zowel in het Nederlands als Engels worden geschreven. In niet voorziene gevallen beslist de jury. De mogelijkheid wordt voorbehouden dat de prijs niet wordt uitgereikt indien de jury, gelet op de kwaliteit van de ingezonden scripties, daartoe besluit.
Scripties kunnen worden gemaild naar de uitgever van de BIE, Claudia Zuidema czuidema@delex.nl.
Verworven onderscheidend vermogen van merkondeel maakt samengesteld merk niet intrinsiek onderscheidend
Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23659, IEFbe 4247; ECLI:EU:T:2026:432 (Veikkaus Oy tegen EUIPO). In deze zaak vordert Veikkaus gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO over haar aanvraag voor het Uniewoordmerk FOR BETTER GAMING - VEIKKAUS. De aanvraag zag onder meer op diensten in de klassen 35, 41 en 42, waaronder retaildiensten voor game- en goksoftware, online entertainment-, spel-, gok-, wed- en casinodiensten en ontwerp-, ontwikkel- en onderhoudsdiensten voor online goksoftware en gokwebsites. De kamer van beroep had het beroep slechts gedeeltelijk toegewezen voor enkele diensten, maar de inschrijving voor de overige diensten geweigerd wegens gebrek aan intrinsiek onderscheidend vermogen op grond van artikel 7 lid 1 onder b, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2, Verordening 2017/1001. Volgens de kamer van beroep zou het Finstalige relevante publiek het teken begrijpen als “voor beter gokken/spelen – weddenschap, gokvoorspelling” en dus niet als herkomstaanduiding, maar als een zuiver promotionele boodschap voor de betrokken diensten. De subsidiaire stelling van Veikkaus dat het teken door gebruik onderscheidend vermogen had verkregen, was nog niet inhoudelijk beoordeeld en was door de kamer van beroep terugverwezen naar de onderzoeker.
Afbeelding uit octrooischrift kan ouder model zijn, octrooischrift zelf niet
Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23658; IEFbe4246; ECLI:EU:T:2026:423 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO BKLicht GmbH & Co. KG). In deze zaak vordert DecoTrend vernietiging van een beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO in een nietigheidsprocedure over een ingeschreven Uniemodel dat een stervormige lampenkap voorstelt. Het model was ingeschreven voor “elektrische guirlandes” en “lampenkappen”. B.K.Licht had de nietigheid van het model gevorderd wegens gebrek aan individueel karakter op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 Verordening 6/2002. Die nietigheidsaanvraag was gebaseerd op twee oudere afbeeldingen uit een Zwitsers en een Amerikaans octrooischrift. De nietigheidsafdeling had de aanvraag afgewezen, maar de kamer van beroep vernietigde die beslissing en verwees de zaak terug, omdat de nietigheidsafdeling bij de vergelijking van de algemene indruk ten onrechte ook de technische beschrijving van de uitvinding en andere afbeeldingen uit de octrooischriften had betrokken. Het Gerecht laat die beslissing in stand. Een octrooi beschermt immers een technische uitvinding en niet de uiterlijke verschijningsvorm van een product. Een octrooischrift kan daarom niet als zodanig worden ingeroepen om het individuele karakter van een Uniemodel te ontkrachten; alleen de daarin opgenomen, voldoende precies geïdentificeerde afbeeldingen kunnen als oudere modellen dienen. In dit geval had B.K.Licht alleen de twee “Fig. 1”-afbeeldingen als oudere modellen D1 en D2 ingeroepen.
Geen individueel karakter voor Uniemodel van stervormige lampenkap
Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23657; IEFbe 4245; ECLI:EU:T:2026:425 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO en Light Tec Ltd). In deze zaak vordert DecoTrend vernietiging en herziening van de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO, waarin het beroep tegen de nietigverklaring van haar ingeschreven Uniemodel is verworpen. Het model, ingeschreven voor onder meer “guirlandes électriques” en “abat-jour”, wordt door het Gerecht op basis van de ingeschreven modelweergaven aangemerkt als een stervormige lampenkap en niet als een lichtsnoer of kerst-/adventster. Light Tec had de nietigheid van het model gevorderd op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 Verordening 6/2002, wegens gebrek aan individueel karakter. DecoTrend stelde dat de kamer van beroep de nietigheidsaanvraag ten onrechte had beoordeeld aan de hand van het oudere Duitse model D2, omdat volgens haar alleen het Amerikaanse octrooischrift en het daarin opgenomen model D1 waren ingeroepen. Het Gerecht verwerpt dit betoog: de nietigheidsaanvraag moest worden gelezen als één geheel, inclusief de bijlagen en motivering, waaruit voldoende duidelijk bleek dat ook D2 en D3 waren ingeroepen. Omdat één ouder model al voldoende kan zijn om individueel karakter te ontkrachten, mocht de kamer van beroep de beoordeling beperken tot D2.
Geen individueel karakter voor EU-model van lichtsnoer
Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23656; IEFbe 4244; ECLI:EU:T:2026:424 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO en Light Tec Ltd). In deze zaak vordert DecoTrend vernietiging en herziening van de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO, waarin het beroep tegen de nietigverklaring van haar ingeschreven Uniemodel voor een lichtsnoer is verworpen. Light Tec had de nietigheid van dit model aangevraagd op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 Verordening 6/2002, wegens gebrek aan individueel karakter. DecoTrend stelde dat de kamer van beroep haar beoordeling ten onrechte had gebaseerd op het oudere Duitse model D2, omdat de nietigheidsaanvraag volgens haar uitsluitend op een Amerikaans octrooischrift en het daarin opgenomen model D1 was gebaseerd. Het Gerecht verwerpt dit betoog. De nietigheidsaanvraag moest worden gelezen als één geheel, inclusief de bijlagen en motivering, waaruit voldoende duidelijk bleek dat Light Tec ook de oudere modellen D2 en D3 had ingeroepen. De kamer van beroep mocht daarom onderzoeken of het betwiste model al ten opzichte van D2 individueel karakter miste; als één ouder model daaraan in de weg staat, hoeft het EUIPO de overige oudere modellen niet meer afzonderlijk te beoordelen.
Uitspraak ingezonden door Rik Balk, Balk Legal.
BenGH over merk NIELSON: kwade trouw en incidenteel beroep buiten de beroepstermijn
BenGH 15 april 2026, IEF 23650; IEF-Be 4243; C 2021/18/V ([verzoeker] tegen [verweerders]). In deze zaak tussen [verzoeker] en [verweerders] gaat het om de vraag of de Eerste Kamer van het Benelux‑Gerechtshof aanleiding ziet een arrest van de Tweede Kamer te corrigeren, waarin een Benelux‑woordmerk NIELSON (gedeeltelijk) nietig is verklaard wegens depot te kwader trouw. Daarnaast speelt de vraag of incidenteel beroep tegen een beslissing van het BBIE mogelijk is nadat de in het BVIE opgenomen beroepstermijn is verstreken. [verzoeker] heeft in 2013 het Benelux‑woordmerk NIELSON aangevraagd, dat in 2013 is ingeschreven voor diensten in de klassen 35, 41 en 42. In 2020 hebben [verweerders] bij het BBIE een vordering ingediend tot vervallenverklaring en nietigverklaring van het merk voor de in klasse 41 aangeduide diensten. Zij hebben zich daarbij beroepen op verval wegens het ontbreken van normaal gebruik en op kwade trouw bij de aanvraag. Het BBIE heeft het merk vervallen verklaard voor een groot deel van de diensten in klasse 41, maar de inschrijving in stand gelaten voor de diensten van een DJ. Het beroep op kwade trouw is door het BBIE afgewezen. Daarbij is onder meer overwogen dat het gebruik van het teken “Mister Nielson” voor DJ‑diensten niet afdoet aan het onderscheidend vermogen van het ingeschreven merk, dat voor DJ‑diensten normaal gebruik is aangetoond, dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat [verzoeker] ten tijde van de aanvraag geen gebruiksintentie had en dat voor de aanvraag een commerciële logica bestond. [verweerders] hebben beroep ingesteld bij de Tweede Kamer van het Benelux‑Gerechtshof. [verzoeker] heeft incidenteel beroep ingesteld tegen de beslissing van het BBIE. De Tweede Kamer heeft dat incidentele beroep niet‑ontvankelijk verklaard omdat het na afloop van de in artikel 1.15bis BVIE genoemde beroepstermijn van twee maanden is ingesteld en BVIE, het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux‑Gerechtshof en het Reglement op de procesvoering geen grondslag bieden voor incidenteel beroep buiten die termijn. Voorts heeft de Tweede Kamer de beslissing van het BBIE vernietigd voor zover het beroep op kwade trouw was afgewezen. Samengevat heeft zij geoordeeld dat de inschrijving te kwader trouw is aangevraagd voor diensten die identiek zijn aan of overeenstemmen met de diensten waarvoor het teken Nielson op het moment van de aanvraag werd gebruikt, waarbij onder meer betekenis is toegekend aan de (door de Tweede Kamer vastgestelde) bekendheid van de artiest Nielson, de bekendheid van [verzoeker] met dat gebruik, diens eigen gebruik van “Mister Nielson” en diens beweegredenen voor het depot. Voor de overige diensten in klasse 41 is het merk reeds vervallen verklaard.
Volg deLex op LinkedIn
Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.
Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.
Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.
Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.
Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.
Uitspraak ingezonden door Daan Breuking en Annelotte Boot, Holla.
Secrid vs Pularys: slechts twee van de vijf betwiste Pularys‑wallets leveren modelinbreuk op, geen auteursrechtinbreuk of slaafse nabootsing
Hof Den Haag 20 februari 2026, IEF 23307; 200.345.513/01 (Tomasz Chwilowicz, (voorheen) h.o.d.n. Jaguar Tomasz Chwilowicz, Jaguar en Pularys tegen Secrid B.V.). In deze zaak staat Secrid, producent van de Miniwallet en Slimwallet met ingeschreven Benelux-modellen, tegenover de Poolse ondernemer Chwilowicz, die onder de naam Pularys verschillende kaarthouder-portemonnees (Viking, Nordic, Vegan, Yoga en later Hugo) online aanbiedt. Secrid vorderde in kort geding primair een Benelux-breed verbod wegens inbreuk op haar twee geregistreerde kaarthoudermodellen en subsidiair een Nederlands verbod wegens auteursrechtinbreuk en slaafse nabootsing, plus opgave- en nevenvorderingen, alles versterkt met dwangsommen en een volledige proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag oordeelde dat alle vijf Pularys-modellen inbreuk maakten op de modelrechten van Secrid en wees de vorderingen toe, met veroordeling van Chwilowicz in de proceskosten (IEF 22147). In hoger beroep komt Chwilowicz op met veertien grieven: tegen de feitenvaststelling, tegen de modelrechtelijke beoordeling, tegen de subsidiaire auteursrechtelijke en slaafse‑nabootsingsgronden, tegen de proceskosten en tegen de ruime formulering van het verbod. Het hof vernietigt het vonnis grotendeels. Waar de voorzieningenrechter nog vijf producten als inbreukmakend aanmerkte, oordeelt het hof dat slechts twee portemonnees, Viking en Vegan, inbreuk opleveren. Ten aanzien van de Nordic, Hugo en Yoga worden de vorderingen afgewezen. Het hof benadrukt daarbij dat bij de beoordeling van de algemene indruk niet alleen de buitenzijde, maar ook de binnenzijde moet worden betrokken, nu het modeldepot beide zijden omvat en de binnenzijde bij normaal gebruik zichtbaar is. Juist omdat de cardprotector en diverse kenmerken daarvan technisch bepaald zijn en reeds tot het vormgevingserfgoed behoren, is de ontwerpvrijheid binnen deze productcategorie beperkt en kan de buitenzijde op zichzelf, gelet op dat erfgoed, waarschijnlijk geen sterk onderscheidend karakter dragen. Het hof aanvaardt bovendien expliciet dat bij de afbakening van de beschermingsomvang, anders dan bij de geldigheidsbeoordeling, rekening mag worden gehouden met bekende elementen uit het vormgevingserfgoed (het zogenoemde ‘mozaïeken’).



















