Auteursrecht - Droit d'auteur  

IEFBE 4200

Benelux-Gerechtshof bevestigd verwarringsgevaar tussen MyFid en IFID

Benelux Gerechtshof - Cour Benelux 18 mrt 2026, IEFBE 4200; C-2024/31 ((I-FID tegen MyFid)), https://www.ie-forum.be/artikelen/benelux-gerechtshof-bevestigd-verwarringsgevaar-tussen-myfid-en-ifid

BenGH 18 maart 2026, IEF23499; IEF-BE4200; C-2024/31 (I-FID tegen Myfid). Het Benelux-Gerechtshof heeft zich uitgesproken over een geschil tussen I-FID en MyFid naar aanleiding van een oppositie tegen de inschrijving van het woordmerk “IFID”. I-FID had dit merk in 2021 aangevraagd voor diensten in klasse 35, terwijl MyFid zich verzette op basis van haar oudere Benelux-woordmerk “myfid” uit 2016. Het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom had de oppositie toegewezen, waarna I-FID beroep instelde. Het hof stelt voorop dat het relevante publiek bestaat uit zowel algemene consumenten als gespecialiseerde afnemers van boekhoudkundige en administratieve diensten binnen de Benelux, die over een basiskennis van het Engels beschikken en een gemiddeld tot hoog aandachtsniveau hebben. Voor de beoordeling wordt uitgegaan van het laagste aandachtsniveau, zodat een gemiddeld aandachtsniveau bepalend is. Bij de vergelijking van de tekens oordeelt het hof dat sprake is van een duidelijke visuele overeenstemming, met name door het gemeenschappelijke bestanddeel “fid”, dat in beide tekens in dezelfde volgorde voorkomt. Daarnaast bestaat er een zekere mate van fonetische overeenstemming, hoewel de tekens auditief niet identiek zijn. Begripsmatig acht het hof een vergelijking niet relevant, nu “IFID” en “myfid” als fantasiewoorden zonder vaste, onmiddellijk herkenbare betekenis worden opgevat, zodat geen begripsmatige verschillen aanwezig zijn die de andere overeenstemmingen kunnen neutraliseren.

IEFBE 4195

Uitspraak ingezonden door Marloes Smilde, Markedly

Gymshark blokkeert inschrijving “Sharkys Gym” wegens verwarringsgevaar met GYMSHARK-merk

Overig - Autres 26 jan 2026, IEFBE 4195; N° 2020307 ((Gymshark Unlimited tegen Sharkys Gym)), https://www.ie-forum.be/artikelen/gymshark-blokkeert-inschrijving-sharkys-gym-wegens-verwarringsgevaar-met-gymshark-merk

BOIP, 26 januari 2026, IEF23492, IEF-BE4195, N° 2020307, (Gymshark Limited tegen Sharkys Gym). In deze procedure staat Gymshark Limited tegenover Sharkys Gym. Laatstgenoemde had een Benelux-aanvraag ingediend voor een gecombineerd woord-/beeldmerk “SHARKYS GYM” voor sport- en fitnessdiensten in klasse 41. Gymshark stelde oppositie in op grond van drie oudere GYMSHARK-merken. Het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom beoordeelt de oppositie om proceseconomische redenen uitsluitend aan de hand van het woordmerk GYMSHARK. Centraal staat de vraag of sprake is van verwarringsgevaar in de zin van artikel 2.2ter lid 1 sub b BVIE. Het Bureau past de vaste globale beoordeling toe, waarbij alle relevante factoren in onderlinge samenhang worden gewogen, waaronder de mate van overeenstemming tussen de tekens, de soortgelijkheid van de diensten, het onderscheidend vermogen van het oudere merk en het relevante publiek. Daarbij wordt uitgegaan van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument, in dit geval het algemene publiek met een gemiddeld aandachtsniveau. Ten aanzien van de diensten stelt het Bureau vast dat de door Sharkys Gym aangevraagde sport- en fitnessdiensten in klasse 41 identiek dan wel sterk overeenstemmend zijn met de diensten waarvoor het woordmerk GYMSHARK is ingeschreven. Het gaat in beide gevallen om (onder meer) sport-, fitness- en trainingsdiensten. Het Bureau benadrukt daarbij dat deze vergelijking uitsluitend plaatsvindt op basis van de omschrijvingen in het register, zodat feitelijk gebruik – zoals het onderscheid tussen sportkleding en sportschooldiensten – buiten beschouwing blijft. Bij de vergelijking van de tekens staat de totaalindruk centraal, met bijzondere aandacht voor de onderscheidende en dominerende bestanddelen. Het woordmerk GYMSHARK zal door het relevante publiek worden opgevat als een samenstelling van “gym” en “shark”, waarbij “gym” beschrijvend is voor sportgerelateerde diensten en “shark” het meest onderscheidende element vormt. In het betwiste teken “SHARKYS GYM” geldt een vergelijkbare analyse: ook hier is “gym” beschrijvend, terwijl “sharkys” het meest onderscheidende woordelement is. Hoewel het teken daarnaast grafische elementen bevat, waaronder een gestileerde haaienkop en aanvullende tekst (“the leg day paradise”), zal het publiek zich met name richten op de prominente woordelementen.

IEFBE 4193

Algemene thema's zijn niet auteursrechtelijk beschermd, óók niet als AI het nabootst, aldus het Duitse Hof


Het Gerechtshof Düsseldorf oordeelde dat een met AI gegenereerde afbeelding van een hond onder water geen inbreuk maakt op het auteursrecht op de foto waar de afbeelding op is gebaseerd. Volgens het hof is alleen het onbeschermde motief van de foto overgenomen, en niet de beschermde creatieve keuzes van de fotograaf. In het auteursrecht geldt: niet stijl, idee of motief worden beschermd, maar alleen de concrete creatieve uitwerking.

De uitspraak is ook voor Nederland relevant. Het hof baseert zijn beoordeling op het Unierechtelijke werkbegrip en verwijst naar recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

In deze blog lichten we toe hoe het hof tot zijn oordeel komt, en welke belangrijke vraag het juist onbeantwoord laat.

IEFBE 4187

HvJ EU: pastiche-exceptie is geen restcategorie; sampling kan eronder vallen bij een herkenbare artistieke of creatieve dialoog

HvJ EU - CJUE 14 apr 2026, IEFBE 4187; ECLI:EU:C:2026:290 (CG en YN tegen Pelham GmbH, SD en OMHOOG), https://www.ie-forum.be/artikelen/hvj-eu-pastiche-exceptie-is-geen-restcategorie-sampling-kan-eronder-vallen-bij-een-herkenbare-artistieke-of-creatieve-dialoog

HvJ EU 14 april 2026, IEF 23472; 4187; ECLI:EU:C:2026:290 (CG en YN tegen Pelham GmbH, SD en OMHOOG). In dit arrest geeft het Hof van Justitie een autonome Unierechtelijke uitleg aan het begrip ‘pastiche’ in artikel 5, lid 3, onder k, van Richtlijn 2001/29, in het kader van de langlopende Pelham/Kraftwerk-zaak over de overname van een circa twee seconden durende ritmische sequentie uit Metall auf Metall in het nummer Nur mir. Het Hof stelt voorop dat de pastiche-exceptie geen vangnetbepaling is voor iedere vorm van creatief of artistiek gebruik van bestaand beschermd materiaal. Van een pastiche is slechts sprake bij creaties die aan een of meer bestaande werken herinneren, daarvan waarneembaar verschillen, en bepaalde auteursrechtelijk beschermde kenmerkende elementen van die werken gebruiken om met die werken een als zodanig herkenbare artistieke of creatieve dialoog aan te gaan. Die dialoog kan verschillende vormen aannemen, zoals een openlijke stijlnabootsing, een hommage of een humoristische of kritische confrontatie, maar het Hof benadrukt dat humor, bespotting, stijlnabootsing of eerbetoon geen noodzakelijke vereisten zijn. Tegelijk sluit het Hof uit dat verborgen imitatie of plagiaat onder de exceptie valt: het moet gaan om open en herkenbaar gebruik. Daarmee zoekt het Hof, in het licht van de doelstelling van Richtlijn 2001/29 en de artikelen 11, 13 en 17 van het Handvest, een rechtvaardig evenwicht tussen de bescherming van auteurs- en naburige rechten enerzijds en de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid anderzijds.

IEFBE 4171

Artikel door Fulco Blokhuis, Boekx Advocaten.

Vibe coding en het probleem van de auteursrechtelijke bescherming van software (preview)

Artikel door Fulco Blokhuis. Oorspronkelijk verschenen in AI-Forum 2026-1.

Inleiding: Vibe coding - een revolutie in softwareontwikkeling

Het werk van veel ontwikkelaars wordt steeds meer door generatieve AI (GenAI) gedaan. Software tools, zoals Lovable, Cursor, Claude Cowork, Codex en AI Studio kunnen werkende software ontwikkelen, testen en uitvoeren op basis van een of meerdere prompts. Deze vorm van programmeren wordt – sinds februari 2025[1] – vibe coding genoemd. Vibe coding is inmiddels mainstream aan het worden.

Met behulp van Claude wordt nu in een paar uur of dagen software gebouwd waar dat normaal maanden kostte. Ontwikkelaars in Silicon Valley sturen meerdere AI agents aan, ook wel agent coding genoemd. De agents schrijven zelf code, of delegeren die taak aan andere AI agents. OpenAI maakte bekend dat haar AI Agents een miljoen regels aan code hadden geschreven, aan de hand van een uitgebreide instructie, maar zonder menselijke interventie. Het aantal apps in de appstore is in december 2025 met 60% toegenomen.

Deze verschuiving van handmatig programmeren naar "prompten" heeft fundamentele gevolgen voor de juridische bescherming van software. Het traditionele auteursrechtelijke model gaat uit van menselijke creativiteit die zich uit in code, maar bij vibe-coding is de menselijke creativiteit verschoven naar de prompt, terwijl de AI de code schrijft. Dat roept de vraag op: is software nog te beschermen door het auteursrecht?

In dit artikel worden de auteursrechtelijke gevolgen van deze ontwikkeling geschetst.

IEFBE 4170

Het nieuwe AI-Forum tijdschrift is verschenen (auteursrecht, aansprakelijkheid, cybersecurity & meer)

Wat is de stand van zaken op het gebied van AI en auteursrecht? Hoe zit dat met aansprakelijkheid en cybersecurity? Wat is de wisselwerking tussen de AVG en de AI-verordening in de praktijk? En last but not least: zijn we te afhankelijk geworden van Big Tech?

In het nieuwe AI-Forum tijdschrift (2026-1) brengen wij deze actuele thema’s samen.

Met dank aan de bijdragen van:

Daniel Gervais (Vanderbilt University);
Roeland de Bruin (Kienhuis Legal);
Julie Petersen (Artes Law);
Thijs Kelder en Wouter Seinen (Pinsent Masons) ;
Fulco Blokhuis (Boekx);
Menno Weij (The Data Lawyers).

Nog geen abonnee? Het volledige tijdschrift is vrij toegankelijk via ons proefabonnement.

IEFBE 4168

Technisch noodzakelijke serverkopieën bij platforms zijn reproducties, maar vergen binnen art. 17 DSM-richtlijn geen afzonderlijke toestemming

HvJ EU - CJUE 26 mrt 2026, IEFBE 4168; ECLI:EU:C:2026:270 (ustro-Mechana en AKM tegen Aufsichtsbehörde für Verwertungsgesellschaften), https://www.ie-forum.be/artikelen/technisch-noodzakelijke-serverkopieen-bij-platforms-zijn-reproducties-maar-vergen-binnen-art-17-dsm-richtlijn-geen-afzonderlijke-toestemming

Conclusie A-G 26 maart 2026, IEF 23424; IEFbe 4168; ECLI:EU:C:2026:270 (Austro-Mechana en AKM tegen Aufsichtsbehörde für Verwertungsgesellschaften). De conclusie van A-G Emiliou in zaak C-579/24 betreft de verhouding tussen art. 2 en 3 Infosoc-richtlijn en art. 17 DSM-richtlijn in de context van online content-sharing service providers zoals YouTube, SoundCloud en Pinterest. Aanleiding is een Oostenrijks geschil tussen de collectieve beheersorganisaties Austro-Mechana en AKM en de Oostenrijkse toezichthouder voor beheersorganisaties. Austro-Mechana beheert onder meer reproductierechten, terwijl AKM onder meer rechten van mededeling en beschikbaarstelling aan het publiek beheert. De prejudiciële vragen draaien om de vraag of de digitale kopieën van beschermde content die automatisch op de servers van zulke platforms worden gemaakt wanneer gebruikers content uploaden, reproducties zijn in de zin van art. 2 Infosoc-richtlijn, en of daarvoor naast de onder art. 17 lid 1 DSM-richtlijn vereiste toestemming voor mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek nog een aparte toestemming nodig is. De A-G beantwoordt eerst bevestigend dat zulke technisch noodzakelijke serverkopieën inderdaad onder het reproductierecht vallen. Art. 2 Infosoc-richtlijn is ruim geformuleerd en omvat directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproducties, met elk middel en in elke vorm; ook opslag op servers valt daaronder. Volgens de A-G kan evenmin een beroep worden gedaan op de uitzondering van art. 5 lid 1 Infosoc-richtlijn voor tijdelijke, incidentele en technisch noodzakelijke reproducties, omdat de betrokken serverkopieën niet louter vluchtig of tijdelijk zijn, maar potentieel langdurig op de servers blijven opgeslagen. Daarmee bevestigt hij dat het uploaden van content naar zulke platforms niet alleen een handeling van mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek onder art. 3 Infosoc-richtlijn oplevert, maar daarnaast ook een zelfstandige handeling van reproductie onder art. 2 Infosoc-richtlijn.

IEFBE 4157

Prejudiciële vragen gesteld over de mededeling aan het publiek

HvJ EU - CJUE 26 jan 2026, IEFBE 4157; C-667/25 (Natural Beauty Levin SRL tegen Asociaţia Centrul Român pentru Administrarea Drepturilor Artiştilor Interpreţi (CREDIDAM)), https://www.ie-forum.be/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-de-mededeling-aan-het-publiek

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 26 januari 2026, IEF 23404; IEFbe 4157; C-667/25 (Verbraucherzentrale Bundesverband) via MinBuza. Deze zaak betreft een geschil tussen de eigenaar van de schoonheidssalon ‘Natural Beauty Levin SRL’ en de Roemeense vereniging voor het beheer van de rechten van uitvoerende kustenaars. De vereniging vordert schadevergoeding van verweerster voor het zonder toestemming mededelen aan het publiek van fonogrammen die voor commerciële doeleinden zijn uitgegeven. Ter discussie staat of het uitrusten van de salon met televisietoestellen waarop achtergrondmuziek wordt gespeeld kwalificeert als ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van artikel 8, lid 2 van richtlijn 2006/115.

IEFBE 4156

Uitspraak ingezonden door Joris Deene, Everest.

Geen auteursrechtelijke bescherming en geen bewezen inbreuk: fotojournalist tegen UGent over online CLIM‑werkpakketten

Hoven van Beroep - Cours d'Appel 16 mrt 2026, IEFBE 4156; 2025/AR/1342 (SCHULD Peter-Vincent tegen UNIVESITEIT GENT), https://www.ie-forum.be/artikelen/geen-auteursrechtelijke-bescherming-en-geen-bewezen-inbreuk-fotojournalist-tegen-ugent-over-online-clim-werkpakketten

Hof van beroep Gent 16 maart 2026, IEF 23398, IT 5154, IEFbe 4156; 2025/AR/1342 (SCHULD Peter-Vincent tegen UNIVESITEIT GENT). Deze zaak gaat over een geschil tussen fotojournalist Peter‑Vincent Schuld, hoofdredacteur van het online tijdschrift FactsFound.news, en de Universiteit Gent (UGent) omtrent het online gebruik van 18 foto’s in twee CLIM‑werkpakketten (“Mag ik spelen?” en “Verhuizen? Wat is dat?”) die door het Steunpunt Diversiteit en Leren (vakgroep Taalkunde UGent) zijn ontwikkeld en in 2016 integraal en kosteloos online werden geplaatst. Schuld had in 2006–2007 foto’s geleverd aan de Uitgeverij De Boeck voor papieren educatieve uitgaven en verwijst naar facturen en een dading, maar bezorgt die stukken in hoger beroep niet effectief aan het hof. Vanaf 2020 stelt hij UGent herhaaldelijk in gebreke wegens “auteursrechtfraude” en dagvaardt hij in 2024 UGent voor de rechtbank van eerste aanleg Gent, met een vordering tot bescherming van zijn auteursrecht en tot vergoeding van materiële schade van 84.350 euro en morele schade van 10.000 euro. UGent betwist zowel auteurschap als rechthebbenschap, voert onder meer nietigheid van de dagvaarding, verjaring, afstand van recht/rechtsverwerking, en een exceptie van borgstelling aan en stelt dat de auteursvermogensrechten op de CLIM‑pakketten, inclusief de foto’s, bij Uitgeverij De Boeck liggen, gelet op de colofon met “© 2007 Uitgeverij De Boeck nv – Alle rechten voorbehouden”. De rechtbank verwerpt de wering‑ en ontvankelijkheidsverweren, oordeelt dat de vordering ontvankelijk maar ongegrond is omdat Schuld niet aantoont dat hij nog de vermogensrechten bezit, en legt de gerechtskosten voor vier vijfde ten laste van Schuld en voor één vijfde ten laste van UGent. Schuld stelt hoger beroep in en vraagt vernietiging van het vonnis in zoverre zijn vordering ongegrond is verklaard en veroordeling van UGent tot 94.350 euro plus proceskosten, terwijl UGent incidenteel beroep instelt en de vordering alsnog als ontoelaatbaar of minstens ongegrond wil zien afgewezen, met volledige kostenveroordeling van Schuld. In hoger beroep identificeert het hof op basis van de CLIM‑pakketten nauwkeurig de 18 betwiste foto’s, maar werpt de door Schuld op 8 december 2025 via e‑deposit neergelegde conclusie en het nieuwe stuk ambtshalve uit de debatten omdat ze, in strijd met artikel 747 §4 Ger.W. en artikel 740 Ger.W., niet tijdig aan UGent zijn overgemaakt; het hof houdt enkel rekening met de beroepsakte en de daarin opgesomde stukken, die Schuld uiteindelijk evenmin neerlegt.

IEFBE 4150

Hof verduidelijkt wanneer een kritische publicatie van een publiek domein geworden werk auteursrechtelijk beschermd kan zijn

HvJ EU - CJUE 19 mrt 2026, IEFBE 4150; ECLI:EU:C:2026:213 (Institutul de Istorie şi Teorie Literară „G. Călinescu” en Fundaţia Naţională pentru Ştiinţă şi Artă tegen HK, als erfgenaam van TB, alsmede VP en GR.), https://www.ie-forum.be/artikelen/hof-verduidelijkt-wanneer-een-kritische-publicatie-van-een-publiek-domein-geworden-werk-auteursrechtelijk-beschermd-kan-zijn

HvJ EU 19 maart 2026, IEF 23386; IEFbe 4150; ECLI:EU:C:2026:213 (Institutul de Istorie și Teorie Literară „G. Călinescu”, Fundația Națională pentru Știință și Artă tegen HK, als erfgenaam van TB, VP, GR). In deze prejudiciële zaak moest het Hof van Justitie uitleggen of een kritische publicatie van een publiek domein geworden werk kan worden aangemerkt als een auteursrechtelijk beschermd werk in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29. De zaak ontstond in Roemenië naar aanleiding van een geschil tussen het Institutul de Istorie şi Teorie Literară „G. Călinescu” en de Fundaţia Naţională pentru Ştiinţă şi Artă enerzijds, en HK, als erfgenaam van TB, alsmede VP en GR anderzijds, over een door professor Dan Slușanschi verzorgde kritische publicatie van een Latijns werk van Dimitrie Cantemir dat al tot het publieke domein behoorde. Die publicatie was gebaseerd op een teruggevonden manuscript en had tot doel de tekst van het oorspronkelijke werk te reconstrueren, met correcties, aanvullingen, commentaar en kritisch apparaat. Het Hof herhaalt dat voor bescherming als “werk” twee cumulatieve voorwaarden gelden: er moet sprake zijn van een eigen intellectuele schepping van de auteur, die diens persoonlijkheid weerspiegelt doordat hij vrije en creatieve keuzes heeft gemaakt, én van een voorwerp dat voldoende nauwkeurig en objectief identificeerbaar is. Volgens het Hof sluit het reconstructieve karakter van een kritische publicatie niet uit dat aan die voorwaarden is voldaan. Ook bij de reconstructie van een bestaande tekst kunnen vrije en creatieve keuzes worden gemaakt, bijvoorbeeld bij grammaticale, lexicale, literaire en stilistische beslissingen, bij de keuze tussen tekstvarianten, bij correcties en aanvullingen, en bij de opbouw en rangschikking van de oorspronkelijke tekst ten opzichte van commentaren en kritisch apparaat. Dat moet de nationale rechter in het concrete geval beoordelen.