DOSSIERS
Alle dossiers

Merkenrecht - Droit des marques  

IEFBE 4199

Gerecht bevestigt afwijzing nietigheidsvordering tegen gezamenlijk ingeschreven EU-merk wegens aantoonbare toestemming

Gerecht EU - Tribunal UE 22 apr 2026, IEFBE 4199; ECLI:EU:T:2026:277 (Peponis tegen EUIPO en Palamianakis), https://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-bevestigt-afwijzing-nietigheidsvordering-tegen-gezamenlijk-ingeschreven-eu-merk-wegens-aantoonbare-toestemming

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23497; IEFbe 4199; ECLI:EU:T:2026:277 (Peponis tegen EUIPO en Palamianakis). In zaak T-494/24 heeft het Gerecht het beroep verworpen tegen de beslissing van de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO over het figuratieve Uniemerk CRETE HOMES REAL ESTATE CRETE PROPERTY and CONSTRUCTION CONSULTANTS SINCE 1990, dat sinds 2008 op naam stond van zowel Emmanouil Peponis als Fanourios Palamianakis. Peponis had in 2021 nietigverklaring gevorderd en verzocht het merk aan hem over te dragen, stellende dat Palamianakis als agent of vertegenwoordiger het merk mede op zijn eigen naam had laten registreren zonder de vereiste toestemming van de merkhouder. Het Gerecht verduidelijkt eerst dat wegens de indieningsdatum van de merkaanvraag, 6 oktober 2007, de materiële beoordeling plaatsvindt op grond van art. 52 lid 1, onder b, juncto art. 8 lid 3 van Verordening nr. 40/94, ook al was de nietigheidsvordering formeel gebaseerd op art. 60 lid 1, onder b, juncto art. 8 lid 3 UMVo 2017/1001; procedureel geldt wel de huidige UMVo. Het Gerecht herhaalt dat art. 8 lid 3 vier cumulatieve voorwaarden kent en dat de zaak hier reeds strandt op de voorwaarde dat de inschrijving door de agent of vertegenwoordiger zonder toestemming van de merkhouder moet zijn verricht. Die toestemming moet duidelijk, specifiek en onvoorwaardelijk zijn. Volgens het Gerecht heeft de Kamer van Beroep terecht geoordeeld dat van zulke toestemming sprake was, in het bijzonder op basis van een door beide partijen ondertekende algemene volmacht, die kort na de merkaanvraag bij EUIPO was ingediend, betrekking had op de lopende registratieprocedure en beide ondertekenaars als aanvragers aanwees. Daaruit mocht worden afgeleid dat de aanvraag bewust in beider naam was gedaan en dat beider mede-eigendom was beoogd.

IEFBE 4198

Gerecht bevestigt nietigverklaring van het Crocs-model wegens ontbreken van eigen karakter

Gerecht EU - Tribunal UE 22 apr 2026, IEFBE 4198; ECLI:EU:T:2026:280 (Crocs tegen EUIPO en Gor Factory), https://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-bevestigt-nietigverklaring-van-het-crocs-model-wegens-ontbreken-van-eigen-karakter

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23496; IEFbe 4198; ECLI:EU:T:2026:280 (Crocs tegen EUIPO en Gor Factory). In zaak T-228/25 heeft het Gerecht het beroep van Crocs verworpen tegen de beslissing van de Derde Kamer van Beroep van het EUIPO waarbij een ingeschreven EU-model voor schoeisel nietig was verklaard. De nietigheidsvordering was ingesteld door Gor Factory, SA op grond van art. 25 lid 1, onder b, van Verordening nr. 6/2002 (in de versie van vóór Verordening 2024/2822), gelezen in samenhang met art. 4 en art. 6 van die verordening, omdat het model volgens Gor Factory geen eigen karakter had ten opzichte van een eerder model van Holey Soles-klompen. Vast stond dat dit oudere model vóór de door Crocs ingeroepen prioriteitsdatum van 28 mei 2004 aan het publiek beschikbaar was gesteld, namelijk op 13 en 14 april 2003 via een Amerikaanse design patent application (No 29/206 427). Het Gerecht onderschrijft verder de uitgangspunten van de Kamer van Beroep dat de betrokken productsector die van schoeisel, meer in het bijzonder klompen, is, dat de geïnformeerde gebruiker van die producten een relatief hoog aandachtsniveau heeft en dat de ontwerpvrijheid van de ontwerper van klompen groot is. Dat een klomp bepaalde basiskenmerken heeft die verband houden met ergonomie en functie, zoals een stevige zool en bovenwerk, sluit ruime ontwerpvrijheid volgens het Gerecht niet uit, omdat nog steeds veel variatie mogelijk blijft in onder meer materiaal, kleur, patronen, decoratieve elementen en in de aanwezigheid, het aantal, de vorm, de grootte en de plaatsing van gaten en uitsparingen.

IEFBE 4197

Gerecht bevestigt weigering van het Uniewoordmerk ROSE voor klasse 25 wegens beschrijvend karakter

Gerecht EU - Tribunal UE 22 apr 2026, IEFBE 4197; ECLI:EU:T:2026:282 (Rose Bikes tegen EUIPO), https://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-het-uniewoordmerk-rose-voor-klasse-25-wegens-beschrijvend-karakter

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23495; IEFbe 4197; ECLI:EU:T:2026:282 (Rose Bikes tegen EUIPO). In zaak T-56/25 heeft het Gerecht het beroep verworpen tegen de weigering om het woordmerk ROSE als Uniemerk in te schrijven voor waren in klasse 25, namelijk kleding, schoeisel en hoofddeksels. Die weigering berustte op art. 7 lid 1, onder c, UMVo, gelezen in samenhang met art. 7 lid 2 UMVo. Het Gerecht vertrekt van het niet bestreden uitgangspunt dat het relevante publiek bestaat uit het grote publiek in de Unie, in elk geval het Engels- en Franstalige deel daarvan, en dat het woord “rose” door dat publiek onmiddellijk wordt begrepen als aanduiding van de kleur roze. Vervolgens herhaalt het Gerecht de vaste maatstaf dat een teken beschrijvend is wanneer het, voor de betrokken waren of diensten, een voldoende directe en concrete samenhang heeft met een kenmerk daarvan, zodat het relevante publiek daarin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van die waren of van een van hun kenmerken ziet. Daarbij benadrukt het Gerecht dat zo’n kenmerk wel objectief, aan de aard van het product inherent en intrinsiek en permanent moet zijn. Het enkele feit dat kledingproducten in allerlei kleuren voorkomen, dat kleur een rol speelt bij de aankoopbeslissing of dat webwinkels filteren op kleur, is dus op zichzelf nog niet genoeg om een kleurbenaming beschrijvend te achten.

IEFBE 4196

Gerecht bevestigt afwijzing nietigheidsvordering tegen Uniemerk G MOTION: geen verwarringsgevaar en geen aangetoonde reputatie van het oudere merk

Gerecht EU - Tribunal UE 22 apr 2026, IEFBE 4196; ECLI:EU:T:2026:275 (Barranco Rodriguez en Barranco Schnitzler tegen EUIPO en Snowacki e.a.), https://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-bevestigt-afwijzing-nietigheidsvordering-tegen-uniemerk-g-motion-geen-verwarringsgevaar-en-geen-aangetoonde-reputatie-van-het-oudere-merk

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23494; IEFbe 4196; ECLI:EU:T:2026:275 (Barranco Rodriguez en Barranco Schnitzler tegen EUIPO en Snowacki e.a.). In zaak T-349/25 heeft het Gerecht van de Europese Unie het beroep verworpen van de aanvragers van de nietigheidsvordering tegen het Uniemerk G MOTION. Die nietigheidsvordering was ingesteld tegen een op 17 januari 2023 ingeschreven Uniemerk voor waren in klasse 7 en was gebaseerd op het oudere Uniemerk GM Germany Motions, onder aanvoering van art. 60 lid 1, onder a, UMVo gelezen in samenhang met art. 8 lid 1, onder b, en art. 8 lid 5 UMVo. Het Gerecht sluit zich aan bij de Kamer van Beroep dat voor de beoordeling van art. 8 lid 1, onder b, kan worden uitgegaan van de voor de aanvragers gunstigste veronderstelling dat de betrokken waren identiek zijn, terwijl het relevante publiek bestaat uit professionele afnemers van machines, motoren en transmissieonderdelen met een hoog aandachtsniveau. Bij de tekenvergelijking oordeelt het Gerecht dat de woorden “motion” en “motions” voor deze waren beschrijvend, althans sterk allusief, zijn omdat zij verwijzen naar beweging, een kenmerk van de betrokken producten. Ook de letter “g” heeft slechts een zwakke onderscheidingskracht: een enkele letter is op zichzelf weinig onderscheidend en de stilering als tandwiel verwijst bovendien rechtstreeks naar de betrokken waren. Daarom komt aan de overeenstemming in de letter “g”, in de woordelementen “motion/motions” en in het gebruik van rood slechts beperkt gewicht toe. De tekens verschillen daarentegen duidelijk in hun grafische vormgeving, compositie, rangschikking en kleurgebruik. Het Gerecht bevestigt daarom het oordeel van de Kamer van Beroep dat de tekens visueel slechts in geringe mate, fonetisch in gemiddelde mate en begripsmatig opnieuw slechts in geringe mate overeenstemmen. Omdat het oudere merk bovendien slechts zwak inherent onderscheidend is en de betrokken waren normaliter na visuele inspectie worden gekocht, is er ondanks de veronderstelde identiteit van de waren geen gevaar voor verwarring in de zin van art. 8 lid 1, onder b, UMVo.

IEFBE 4191

Het Gerecht oordeelt dat tussen CAMALEON EL NATURALISTA en El Naturalista geen verwarringsgevaar bestaat

Gerecht EU - Tribunal UE 15 apr 2026, IEFBE 4191; ECLI:EU:T:2026:256 (Laboratorios ACPG, SA tegen EUIPO en Laboratorio de Cosmética Armonía, SA), https://www.ie-forum.be/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-camaleon-el-naturalista-en-el-naturalista-geen-verwarringsgevaar-bestaat

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23476; IEFbe 4191; ECLI:EU:T:2026:256 (Laboratorios ACPG, SA tegen EUIPO en Laboratorio de Cosmética Armonía, SA). Het Gerecht heeft het beroep van Laboratorios ACPG verworpen en daarmee het besluit van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 26 november 2024 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde figuratieve Uniemerk CAMALEON EL NATURALISTA en het oudere figuratieve Uniemerk El Naturalista geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. De aanvraag betrof klasse 3-waren, namelijk parfumerie, etherische oliën, cosmetica, haarlotions, tandpasta, make-upproducten en cosmetische crèmes. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniemerk El Naturalista, eveneens onder meer ingeschreven voor klasse 3-waren, en voor dat oudere merk was normaal gebruik voor de betrokken klasse 3-producten aangetoond. De Kamer van Beroep had geoordeeld dat het relevante publiek bestond uit professionals en het algemene publiek in de Unie, dat het aandachtsniveau van het algemene publiek normaal was en dat de betrokken producten identiek waren. Voor het Gerecht voerde Laboratorios ACPG aan dat de Kamer van Beroep de onderscheidende en dominante bestanddelen, de mate van overeenstemming tussen de tekens, het intrinsieke onderscheidend vermogen van het oudere merk en de mogelijkheid dat het aangevraagde merk als variant of submerk van het oudere merk zou worden opgevat, onjuist had beoordeeld. Het Gerecht verduidelijkte bovendien dat het niet bevoegd was om, zoals subsidiair verzocht, zelf de inschrijving van het aangevraagde merk te weigeren, zodat dat onderdeel van het petitum wegens onbevoegdheid moest worden afgewezen.

IEFBE 4190

Het Gerecht oordeelt dat tussen Ibumax-Lysin en ibum verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo

Gerecht EU - Tribunal UE 15 apr 2026, IEFBE 4190; ECLI:EU:T:2026:257 (Vitabalans Oy tegen EUIPO en Hasco TM sp. z o.o. sp.k.), https://www.ie-forum.be/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-ibumax-lysin-en-ibum-verwarringsgevaar-bestaat-in-de-zin-van-artikel-8-lid-1-onder-b-umvo

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23475, IEFbe 4190; ECLI:EU:T:2026:257 (Vitabalans Oy tegen EUIPO en Hasco TM sp. z o.o. sp.k.). Het Gerecht heeft het beroep van Vitabalans verworpen en daarmee het besluit van de Eerste Kamer van Beroep van het EUIPO van 29 april 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Ibumax-Lysin en het oudere Poolse woordmerk ibum verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vitabalans had Ibumax-Lysin aangevraagd voor “ibuprofen for use as an oral analgesic” in klasse 5, terwijl Hasco TM oppositie had ingesteld op basis van onder meer het oudere Poolse merk ibum, dat onder meer is ingeschreven voor farmaceutische producten en analgesica in klasse 5. Het Gerecht bevestigde allereerst dat de bijlagen A.6 tot en met A.8, die pas voor het eerst voor het Gerecht waren overgelegd, niet-ontvankelijk waren, omdat de rechtmatigheidstoetsing beperkt blijft tot het feitelijke en juridische kader dat voor de Kamer van Beroep bestond. Verder onderschreef het Gerecht dat het relevante publiek zich in Polen bevindt en bestaat uit zowel het algemene publiek als gezondheidsprofessionals, die bij farmaceutische producten een hoog aandachtsniveau hebben. Ook de warenvergelijking hield stand: “ibuprofen for use as an oral analgesic” valt binnen de ruimere categorieën “pharmaceutical products” en meer specifiek “analgesics” van het oudere merk, zodat de betrokken waren identiek zijn.

IEFBE 4189

Het Gerecht oordeelt dat tussen Serosan en CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat

Gerecht EU - Tribunal UE 15 apr 2026, IEFBE 4189; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV), https://www.ie-forum.be/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-serosan-en-clenosan-geen-verwarringsgevaar-bestaat

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23474; IEFbe 4189; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV). Het Gerecht heeft het beroep van Ionfarma verworpen en daarmee het besluit van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 22 mei 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Serosan en het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vision Healthcare had Serosan aangevraagd voor een reeks waren in klasse 5, waaronder voedingssupplementen, kruidenpreparaten, vitaminen, sedativa, tonica, probiotica, eiwit- en enzymsupplementen en plantaardige extracten voor farmaceutische doeleinden. Ionfarma stelde oppositie in op basis van het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN voor “soaps, cosmetics” in klasse 3; op verzoek van Vision Healthcare leverde Ionfarma tevens bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De oppositieafdeling wees de oppositie af, waarna ook de Kamer van Beroep het beroep verwierp. Het Gerecht stelde voorop dat het relevante territorium Spanje is en dat het relevante publiek bestaat uit afnemers van zowel de klasse 3-waren als de klasse 5-waren; voor de waren van het oudere merk geldt een gemiddeld aandachtsniveau en voor de gezondheidsgerelateerde waren van het aangevraagde merk een hoog aandachtsniveau, zodat het relevante aandachtsniveau varieert van gemiddeld tot hoog. Voor de vergelijking van de waren sloot het Gerecht zich aan bij de door de Kamer van Beroep uit proceseconomische redenen gekozen, voor Ionfarma meest gunstige aanname dat de betrokken waren identiek zijn, juist omdat de Kamer van Beroep de warenvergelijking niet inhoudelijk had uitgewerkt en het niet aan het Gerecht is om dat voor het eerst zelf te doen.

IEFBE 4188

Het Gerecht oordeelt dat tussen LEONHART en EL LEON voor het Spaanse publiek geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo

Gerecht EU - Tribunal UE 15 apr 2026, IEFBE 4188; ECLI:EU:T:2026:259 (Instanta sp. z o.o. tegen EUIPO en Heineken España, SA), https://www.ie-forum.be/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-leonhart-en-el-leon-voor-het-spaanse-publiek-geen-verwarringsgevaar-bestaat-in-de-zin-van-artikel-8-lid-1-onder-b-umvo

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23473; IEFbe 4188; ECLI:EU:T:2026:259 (Instanta sp. z o.o. tegen EUIPO en Heineken España, SA). In zijn arrest in zaak T-461/25 heeft het Gerecht het besluit van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 12 mei 2025 vernietigd en gewijzigd, omdat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk LEONHART en het oudere Spaanse figuratieve merk EL LEON geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Instanta had LEONHART aangevraagd voor waren in de klassen 30 en 32, waarna Heineken España oppositie instelde op basis van haar oudere Spaanse figuratieve merk EL LEON, dat onder meer was ingeschreven voor waren in klasse 32. De oppositieafdeling had de oppositie toegewezen en de Kamer van Beroep had het daartegen ingestelde beroep verworpen. Het Gerecht stelde voorop dat het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek als het professionele publiek in Spanje met een gemiddeld aandachtsniveau, en liet ook in stand dat de betrokken waren identiek dan wel gemiddeld soortgelijk zijn. Wel verklaarde het Gerecht het pas voor het eerst in beroep aangevoerde argument dat het element “hart” door het Spaanse publiek met het woord harto in verband zou kunnen worden gebracht, alsmede het daarbij overgelegde woordenboekuittreksel, niet-ontvankelijk, omdat dit betoog niet reeds voor de Kamer van Beroep was aangevoerd en dus buiten het feitelijke en juridische kader van het geding viel.

IEFBE 4183

Gerecht vernietigt EUIPO-beslissing over het merk déjà vu wegens gebrek aan beoordeling van de gebruiksduur

Gerecht EU - Tribunal UE 8 okt 2025, IEFBE 4183; ECLI:EU:T:2025:947 (Huda Beauty Ltd tegen EUIPO en Norbert Schulz), https://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-vernietigt-euipo-beslissing-over-het-merk-deja-vu-wegens-gebrek-aan-beoordeling-van-de-gebruiksduur

Gerecht EU 8 oktober 2025, IEF 23453; IEFbe 4183; ECLI:EU:T:2025:947 (Huda Beauty Ltd tegen EUIPO en Norbert Schulz). In deze zaak vordert Huda Beauty Ltd op grond van art. 263 VWEU gedeeltelijke nietigverklaring van een beslissing van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 16 april 2024, voor zover die beslissing de vervalvordering tegen het EU-woordmerk déjà vu voor waren in klasse 3 (“parfumerieproducten”) had afgewezen. Het vervalverzoek was gebaseerd op art. 58 lid 1, onder a, UMVo, omdat het merk volgens Huda Beauty gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal was gebruikt. De door de interveniënt opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding wordt door het Gerecht verworpen: de bestreden beslissing was op 22 april 2024 aan Huda Beauty meegedeeld, zodat het op 2 juli 2024 ingestelde beroep, rekening houdend met de beroepstermijn van twee maanden van art. 72 lid 5 UMVo en de forfaitaire afstandstermijn van tien dagen, tijdig was. Ten gronde stelt het Gerecht voorop dat werkelijk gebruik moet worden aangetoond aan de hand van concrete en objectieve gegevens, en dat op grond van art. 10 lid 3 van Gedelegeerde Verordening 2018/625 cumulatief moet blijken van de plaats, duur, omvang en aard van het gebruik. De relevante periode liep hier van 21 april 2016 tot en met 20 april 2021. Hoewel voor verval niet is vereist dat het merk onafgebroken gedurende de gehele periode is gebruikt, maar voldoende is dat sprake is van normaal gebruik tijdens een deel daarvan, moet de Kamer van Beroep wel zelfstandig beoordelen of het temporele element van het gebruik voldoende is aangetoond. Juist daarin schoot de bestreden beslissing volgens het Gerecht tekort. Onder het kopje “duur en plaats van het gebruik” bevatte die beslissing slechts één overweging, die geen temporele elementen noemde en in wezen alleen betrekking had op Duitsland als plaats van gebruik. Dat elders in de beslissing bewijsstukken waren opgesomd of in het kader van de omvang van het gebruik enkele stukken waren genoemd die mogelijk ook iets over de duur konden zeggen, maakt dat niet anders: de Kamer van Beroep had in de bestreden beslissing geen zelfstandige beoordeling en geen eigen conclusie gegeven over de duur van het gebruik van het merk. Daarmee heeft zij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

IEFBE 4169

Oud jaartal in luxemerk kan misleidend zijn wanneer het ten onrechte eeuwenoud vakmanschap en prestige suggereert

HvJ EU - CJUE 26 mrt 2026, IEFBE 4169; ECLI:EU:C:2026:250 (Fauré Le Page Maroquinier SAS en Fauré Le Page Paris SAS tegen Goyard ST-Honoré SAS), https://www.ie-forum.be/artikelen/oud-jaartal-in-luxemerk-kan-misleidend-zijn-wanneer-het-ten-onrechte-eeuwenoud-vakmanschap-en-prestige-suggereert

HvJ EU 26 maart 2026, IEF 23425; IEFbe 4169; ECLI:EU:C:2026:250 (Fauré Le Page Maroquinier SAS en Fauré Le Page Paris SAS tegen Goyard ST-Honoré SAS). Het Hof verduidelijkt de reikwijdte van art. 3, lid 1, onder g, Richtlijn 2008/95, dat ziet op merken die het publiek kunnen misleiden. Het hoofdgeding betreft twee Franse merken met de aanduiding “Fauré Le Page Paris 1717”, ingeschreven in 2011 voor onder meer lederwaren, reistassen, koffers en handtassen. De achtergrond is dat de historische onderneming Maison Fauré Le Page, sinds 1716 actief in Parijs op het gebied van wapens, munitie en lederen accessoires, in 1992 wordt ontbonden, terwijl Fauré Le Page Paris pas in 2009 wordt opgericht en kort daarna het oudere Franse merk “Fauré Le Page” overneemt. Goyard ST-Honoré, actief in de luxe lederwaren- en reisartikelensector, vordert nietigverklaring van de merken wegens hun vermeend misleidende karakter. De cour d’appel de Paris oordeelt na terugverwijzing dat de bestanddelen “Parijs 1717” bij het relevante publiek de indruk kunnen wekken dat sprake is van een sinds 1717 voortgezette onderneming en van overgedragen eeuwenoud vakmanschap, terwijl daarvan feitelijk geen sprake is. Volgens die rechter is dat van belang omdat consumenten van luxe lederwaren bijzonder veel gewicht hechten aan geschiedenis, traditie en erfgoed, en daaruit kwaliteit en prestige van de waar afleiden. In cassatie voeren de vennootschappen Fauré Le Page aan dat een merk alleen misleidend kan zijn wanneer het onjuiste informatie geeft over de kenmerken van de waren of diensten zelf, en niet wanneer het slechts betrekking heeft op kenmerken van de merkhouder. De verwijzende rechter vraagt daarom of een merk dat een getal bevat dat door het relevante publiek wordt opgevat als een verwijzing naar het oprichtingsjaar van de onderneming, en dat daardoor de suggestie wekt van eeuwenoud vakmanschap dat de waar een kwaliteitsgarantie en een prestigieus imago verleent, onder art. 3, lid 1, onder g, kan vallen.