DOSSIERS
Alle dossiers

Merkenrecht - Droit des marques  

IEFBE 4299

Gerecht: gebruik van NEAM als ondernemingsnaam is onvoldoende bewijs van normaal merkgebruik voor financiële diensten

Gerecht EU - Tribunal UE 9 sep 2026, IEFBE 4299; ECLI:EU:T:2026:552 (NEA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-gebruik-van-neam-als-ondernemingsnaam-is-onvoldoende-bewijs-van-normaal-merkgebruik-voor-financiele-diensten

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23813, IEFbe 4299; ECLI:EU:T:2026:552 (NEA). Het Gerecht verwerpt het beroep van Nord Est Asset Management tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij haar oppositie tegen de Uniemerkaanvraag NEA van New Enterprise Associates was afgewezen omdat geen normaal gebruik was aangetoond van het oudere Uniebeeldmerk NEAM, ingeschreven voor ‘financial affairs; monetary affairs’ in klasse 36. Nadat New Enterprise Associates om bewijs van gebruik had verzocht, moest Nord Est Asset Management op grond van artikel 47, lid 2, van Verordening 2017/1001 aantonen dat het oudere merk van 18 oktober 2017 tot en met 17 oktober 2022 normaal was gebruikt in de Europese Unie. Het Gerecht benadrukt dat een teken dat tevens een ondernemingsnaam is in beginsel wel als merk kan worden gebruikt, maar dat het enkele gebruik ervan ter identificatie van de onderneming daarvoor niet volstaat. Er moet een zodanige band bestaan tussen het teken en de aangeboden diensten dat het teken wordt gebruikt overeenkomstig de wezenlijke functie van het merk, namelijk het waarborgen van de commerciële herkomst van die diensten. Normaal gebruik moet bovendien met solide en objectief bewijs van daadwerkelijk en voldoende gebruik op de relevante markt worden aangetoond.

IEFBE 4298

Gerecht: verwarringsgevaar tussen GOTCHA en ouder Uniemerk GONG CHA voor dranken en horecadiensten

Gerecht EU - Tribunal UE 9 sep 2026, IEFBE 4298; ECLI:EU:T:2026:553 (GOTCHA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-gotcha-en-ouder-uniemerk-gong-cha-voor-dranken-en-horecadiensten

Gerecht EU 9 september, IEF 23812; IEFbe 4298; ECLI:EU:T:2026:553 (GOTCHA). Het Gerecht verwerpt het beroep van CFL Australia tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO, die de oppositie van Gong cha Global tegen de internationale registratie GOTCHA met aanwijzing van de Europese Unie had toegewezen op grond van artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001. De aanvraag ziet op onder meer thee-, koffie- en cacaoproducten in klasse 30, niet-alcoholische dranken in klasse 32 en horeca- en cateringdiensten in klasse 43; het oudere Uniewoordmerk GONG CHA is ingeschreven voor onder meer overeenkomstige waren en diensten. De kamer van beroep mocht haar beoordeling concentreren op Poolstalige consumenten: wanneer het oudere merk een Uniemerk is, volstaat het voor weigering dat verwarringsgevaar bestaat bij een deel van het publiek in de Europese Unie. Anders dan CFL Australia stelde, had de oppositieafdeling haar onderzoek bovendien niet uitsluitend op Portugeestalige consumenten gericht, maar op het niet-Portugees- en niet-Engelstalige publiek waarvoor de betrokken woordelementen geen relevante betekenis hebben. Ook de klacht over bewijs dat Gong cha Global pas in beroep had overgelegd, slaagt niet. De kamer van beroep baseerde haar beoordeling van het verwarringsgevaar namelijk niet op dat bewijs, dat was overgelegd ter onderbouwing van de gestelde verhoogde onderscheidingskracht en reputatie van het oudere merk, zodat de klacht in zoverre niet ter zake dienend was. Bovendien had de kamer van beroep gemotiveerd waarom het aanvullende bewijs volgens artikel 27, lid 4, van Gedelegeerde Verordening 2018/625 kon worden toegelaten. De waren en diensten zijn, afhankelijk van de categorie, identiek of in hoge mate soortgelijk: de diensten in klasse 43 zijn bijvoorbeeld identiek aan diensten in dezelfde klasse van het oudere merk, zodat een afzonderlijke vergelijking daarvan met waren uit klasse 30 niet nodig was.

IEFBE 4297

Gerecht: verwarringsgevaar tussen papyros by Modus en ouder merk PAPYRUS voor software en IT-diensten

Gerecht EU - Tribunal UE 9 sep 2026, IEFBE 4297; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-papyros-by-modus-en-ouder-merk-papyrus-voor-software-en-it-diensten

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23811; IT 5512; IEFbe 4297; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus). Het Gerecht verwerpt het beroep van Modus AE tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO waarbij het Uniemerk papyros by Modus op grond van artikel 60, lid 1, onder a, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001 nietig is verklaard wegens verwarringsgevaar met de oudere internationale woordmerkregistratie PAPYRUS, die werking heeft in de Europese Unie en is ingeschreven voor ‘gegevensverwerkingsapparatuur; computers’ in klasse 9. Het bestreden merk ziet, na beperking van de waren- en dienstenlijst, op software voor het beheer van bedrijfsdocumenten en workflows in klasse 9 en daarmee verband houdende softwarediensten in klasse 42. Het relevante publiek bestaat uit zakelijke afnemers met een verhoogd aandachtsniveau. Het Gerecht bevestigt dat de software in klasse 9 gemiddeld soortgelijk is aan de waren van het oudere merk vanwege onder meer hun complementariteit, overlappende afnemers en distributiekanalen en de mogelijkheid dat zij door dezelfde ondernemingen worden aangeboden. De diensten in klasse 42 zijn ten minste in geringe mate soortgelijk aan die waren, omdat zij tot dezelfde IT-sector behoren, zich tot dezelfde afnemers kunnen richten en gezamenlijk als geïntegreerde IT-oplossingen kunnen worden aangeboden. Het enkele verschil tussen software en hardware sluit soortgelijkheid dan ook niet uit. Het verzoek van Modus om het EUIPO op te dragen de registratie van het merk in stand te houden, wijst het Gerecht bovendien af wegens het ontbreken van bevoegdheid om het EUIPO dergelijke bevelen te geven.

IEFBE 4296

Gerecht: verwarringsgevaar tussen LOTO DEL SVR en ouder Uniemerk SVR voor cosmetica

Gerecht EU - Tribunal UE 9 sep 2026, IEFBE 4296; ECLI:EU:T:2026:546 (LOTO DEL SVR), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-loto-del-svr-en-ouder-uniemerk-svr-voor-cosmetica

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23810; IEFbe 4296; ECLI:EU:T:2026:546 (LOTO DEL SVR). Het Gerecht verwerpt het beroep van Cosmetika tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de inschrijving van het aangevraagde beeldmerk LOTO DEL SVR voor een groot deel van de waren in klasse 3 was geweigerd wegens verwarringsgevaar met het oudere Uniewoordmerk SVR van Laboratoires Svr. Cosmetika betoogde onder meer dat de kamer van beroep haar beoordeling niet had mogen baseren op de perceptie van het Italiaanstalige publiek, omdat de oppositieafdeling haar beoordeling op het Spaanstalige publiek had toegespitst. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Vanwege de functionele continuïteit binnen het EUIPO en het devolutieve karakter van het beroep moet de kamer van beroep de oppositie volledig opnieuw beoordelen. Bovendien volstaat bij een ouder Uniemerk dat verwarringsgevaar bestaat bij een deel van het relevante publiek in de Unie. Laboratoires Svr hoefde daarom geen incidenteel beroep in te stellen om argumenten over onder meer het Italiaanstalige publiek aan te voeren. Ook mocht de kamer van beroep het voor het eerst in beroep overgelegde aanvullende bewijs daarover toelaten, omdat dit relevant was en reeds eerder ingediend bewijs aanvulde. Van schending van het recht om te worden gehoord was geen sprake, nu Cosmetika gelegenheid had gekregen om op deze argumenten te reageren. De twee marktstudies die Cosmetika pas bij het Gerecht overlegde, worden buiten beschouwing gelaten omdat zij dateren van na de bestreden beslissing en geen deel uitmaakten van het dossier voor het EUIPO.

IEFBE 4295

Gerecht: EUIPO beoordeelde bewijs van normaal gebruik van NUTRISTAR onvolledig en onjuist

Gerecht EU - Tribunal UE 9 sep 2026, IEFBE 4295; ECLI:EU:T:2026:540 (Nutristar tegen EUIPO en Anielska en Tyrawski), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-euipo-beoordeelde-bewijs-van-normaal-gebruik-van-nutristar-onvolledig-en-onjuist

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23809; IEFbe 4295; ECLI:EU:T:2026:540 (Nutristar tegen EUIPO, Anielska en Tyrawski). Het Gerecht vernietigt gedeeltelijk de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO inzake het Uniemerk NUTRISTAR. Tegen het merk was op grond van artikel 58, lid 1, onder a, van Verordening (EU) 2017/1001 een verzoek tot vervallenverklaring ingediend wegens het ontbreken van normaal gebruik gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar. In beroep bij het Gerecht beperkte Nutristar haar vordering tot de betrokken waren in de klassen 5 en 31. Het Gerecht benadrukt dat normaal gebruik moet worden aangetoond aan de hand van de plaats, tijd, omvang en aard van het gebruik en dat alle bewijsstukken in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Niet ieder afzonderlijk bewijsstuk hoeft alle aspecten van het gebruik te bewijzen. Uit de bestreden beslissing bleek echter niet dat de kamer van beroep alle beschikbare bewijsstukken daadwerkelijk in een volledige en globale beoordeling had betrokken: van de 37 door Nutristar in beroep overgelegde bijlagen waren verschillende stukken niet, of nauwelijks, meegenomen. Die klacht van Nutristar slaagt daarom.

IEFBE 4293

HvJ EU: politieke parodie rechtvaardigt gebruik bekend merk alleen als belang van gebruiker zwaarder weegt

HvJ EU - CJUE 8 sep 2026, IEFBE 4293; ECLI:EU:C:2026:721 (Inter IKEA Systems), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-politieke-parodie-rechtvaardigt-gebruik-bekend-merk-alleen-als-belang-van-gebruiker-zwaarder-weegt

HvJ EU 8 september 2026, IEF 23802; IEFbe 4293; ECLI:EU:C:2026:721 (Inter IKEA Systems). In het arrest Inter IKEA Systems (C-298/23) beantwoordt de Grote kamer van het Hof van Justitie prejudiciële vragen van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel over de verhouding tussen de bescherming van bekende merken en de vrijheid van meningsuiting. Aanleiding is de campagne van Vlaams Belang uit 2022 onder de titel “IKEA-plan – Immigratie Kan Echt Anders”, waarin een politiek programma over de hervorming van het Belgische asiel- en immigratiebeleid werd gepresenteerd met tekens en visuele elementen die verwezen naar de bekende IKEA-merken en naar de montagehandleidingen van IKEA. Inter IKEA stelde wegens dit gebruik een merkinbreukvordering in tegen onder meer Algemeen Vlaams Belang en Vrijheidsfonds; de verwijzende rechter verklaarde die vordering uitsluitend ten aanzien van Vrijheidsfonds ontvankelijk. Vrijheidsfonds, dat de campagne namens en voor rekening van Vlaams Belang of zijn vertegenwoordigers voerde, erkende de IKEA-merken zonder toestemming te hebben gebruikt en stelde dat de bekendheid daarvan was benut om de politieke boodschap kracht bij te zetten en de verspreiding ervan te vergroten. De verwijzende rechter vraagt of de vrijheid van meningsuiting, waaronder politieke meningsuiting en politieke parodie, een “geldige reden” kan vormen in de zin van artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c en lid 6 Merkenrichtlijn. Het Hof maakt daarbij eerst onderscheid tussen twee juridische routes. Artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c Merkenrichtlijn zien op gebruik van een bekend merk in het economische verkeer voor waren of diensten. Artikel 10 lid 6 Merkenrichtlijn laat daarentegen nationale bescherming toe tegen gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten; voor Benelux-merken is die bescherming opgenomen in artikel 2.20 lid 2 onder d BVIE. Een dergelijk gebruik kan zowel binnen als buiten het economische verkeer plaatsvinden, maar is in ieder geval geen gebruik voor waren of diensten. Het Hof kan op basis van de verwijzingsbeslissing niet vaststellen onder welke route het gebruik door Vrijheidsfonds valt en laat die beoordeling aan de nationale rechter. Daarbij is van belang dat ook een vereniging zonder winstoogmerk in het economische verkeer kan handelen wanneer zij als marktdeelnemer optreedt. Een politiek programma is op zichzelf geen waar of dienst, maar gebruik van een merk bij bijvoorbeeld politieke bijeenkomsten, op reclamemateriaal of in promotionele onlinecontent kan onder omstandigheden wel als gebruik voor waren of diensten worden aangemerkt.

IEFBE 4289

A-G: Uniemerkinbreukprocedure moet in beginsel worden geschorst bij later ingestelde nietigheidsprocedure bij EUIPO

HvJ EU - CJUE 3 sep 2026, IEFBE 4289; ECLI:EU:C:2026:699 (Bodegas Sanviver, SL tegen Bodegas Vega Sicilia, SA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-uniemerkinbreukprocedure-moet-in-beginsel-worden-geschorst-bij-later-ingestelde-nietigheidsprocedure-bij-euipo

HvJ EU 3 september 2026, IEF 23796; IEFbe 4289; ECLI:EU:C:2026:699 (Bodegas Sanviver, SL tegen Bodegas Vega Sicilia, SA). Bodegas Vega Sicilia is houdster van het Uniewoordmerk UNICO voor wijnen en stelt in Spanje een inbreukprocedure in tegen Bodegas Sanviver wegens het gebruik van het teken ÚNICO voor vermout. Nadat de inbreukprocedure is gestart, dient Sanviver bij het EUIPO een vordering tot nietigverklaring van het merk in, zonder bij de nationale rechter een reconventionele nietigheidsvordering in te stellen. Het EUIPO verklaart het merk vervolgens nietig op absolute nietigheidsgronden, maar die beslissing is nog niet definitief. De Spaanse Tribunal Supremo oordeelt dat Sanviver de geldigheid van het merk via een procedure bij het EUIPO mocht betwisten en dat de inbreukprocedure na het instellen daarvan in beginsel had moeten worden geschorst. De Audiencia Provincial de Alicante twijfelt aan die uitleg en vraagt het Hof van Justitie onder meer of een verweerder na aanvang van een Uniemerkinbreukprocedure nog een nietigheids- of vervallenverklaringsprocedure bij het EUIPO kan starten en welke gevolgen dat heeft voor de lopende gerechtelijke procedure.

IEFBE 4286

Uitspraak ingezoden door Hidde Koenraad, Boekx Advocaten.

BoA EUIPO: "TABERNA ASTORIA 1872" geweigerd vanwege reputatie "WALDORF ASTORIA"

EUIPO - BHIM - OHMI 25 aug 2026, IEFBE 4286; R 2526/2025-5 (Hilton tegen Servicios Productivos Malagueños), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/boa-euipo-taberna-astoria-1872-geweigerd-vanwege-reputatie-waldorf-astoria

EUIPO Board of Appeal 25 augustus 2026, IEF 23777; IEFbe 4286; R 2526/2025-5 (Hilton tegen Servicios Productivos Malagueños). In deze zaak tussen Servicios Productivos Malagueños en Hilton Worldwide Manage staat de aanvraag van het beeldmerk "TABERNA astoria 1872" centraal. De aanvraag ziet onder meer op reclame- en promotiediensten in klasse 35 en horeca- en drankdiensten in klasse 43. Hilton maakte bezwaar op basis van verschillende oudere "WALDORF ASTORIA"-merken. De Opposition Division wees de aanvraag volledig af op grond van artikel 8 lid 5 UMVo [IEF 23099]. De Kamer van Beroep bevestigt dat het oudere Uniemerk "WALDORF ASTORIA" langdurig en intensief is gebruikt en in Nederland een gemiddelde reputatie geniet voor hotel- en moteldiensten. Voor de beoordeling wordt daarom met name uitgegaan van het Nederlandstalige relevante publiek.

IEFBE 4274

Uitspraak ingezonden door Quirijn Meijnen, LMO Advocaten.

Geen kwade trouw bij depot AEROINTEL-merk na conflict tussen medeoprichters

BBIE/OBPI 26 jun 2026, IEFBE 4274; nr. 3000861 (Aerointel tegen [verweerder]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-kwade-trouw-bij-depot-aerointel-merk-na-conflict-tussen-medeoprichters

BBIE 26 juni 2026, IEF 23741; IEFbe 4274; nr. 3000861 (Aerointel tegen [verweerder]). In deze zaak verzoekt Aerointel B.V. op grond van artikel 2.30bis lid 1 onder a in verbinding met artikel 2.2bis lid 2 BVIE om doorhaling van het op 6 juni 2025 aangevraagde en op 30 augustus 2025 ingeschreven gecombineerde woord-/beeldmerk AEROINTEL. Het merk is ingeschreven voor waren en diensten in de klassen 9, 12 en 42, die onder meer betrekking hebben op drones en dronetechnologie. Aerointel stelt dat zij de naam en het logo heeft ontwikkeld en deze vanaf 27 juli 2024 openbaar en ononderbroken gebruikt, aanvankelijk via een onderneming in oprichting en vanaf 4 oktober 2024 via Aerointel B.V. In april en mei 2025 ontstaat tussen Aerointel en [verweerder] een geschil over diens beoogde participatie in de onderneming. Volgens Aerointel deponeert [verweerder] het teken vervolgens zonder besluit van de algemene vergadering of volmacht op persoonlijke naam, terwijl hij weet dat Aerointel het teken al intensief gebruikt. Aerointel voert aan dat [verweerder] het merk na het depot niet zelf in de Benelux gebruikt, maar de registratie inzet als drukmiddel om haar gebruik van AEROINTEL en haar bedrijfsvoering te blokkeren. Zij wijst daarbij onder meer op een sommatie van 21 mei 2025, de inzet van het depot tegenover een derde op 20 juni 2025, een e-mail van 25 juni 2025 waarin overleg afhankelijk wordt gesteld van staking van het gebruik van AEROINTEL, het offline gaan van de website van Aerointel op 26 juni 2025 en de presentatie van vergelijkbare activiteiten onder een andere handelsnaam op 30 juni 2025. Volgens Aerointel blijkt uit deze chronologie dat sprake is van een blokkeringsdepot zonder legitiem ondernemingsdoel. [Verweerder] betwist dat Aerointel een zelfstandig ouder recht op de naam of het logo heeft. Hij stelt dat hij samen met de bestuurder van Aerointel al vanaf augustus 2023 een gezamenlijke onderneming op het gebied van drones ontwikkelt, dat zij in maart 2024 gezamenlijk onder een eerdere handelsnaam en vervolgens onder de naam Aerointel naar buiten treden en dat zij het bestreden logo in mei 2024 ontwikkelen. Volgens [verweerder] richten zij Aerointel B.V. op als gezamenlijke onderneming, waarbij het de bedoeling is dat ieder uiteindelijk vijftig procent van de aandelen houdt. Die afspraak wordt volgens hem niet uitgevoerd, waarna hij wordt uitgesloten van bestanden, communicatiekanalen, de website en de presentatie van de onderneming. Hij stelt dat hij het merk deponeert om de door hem mede opgebouwde goodwill, het onderscheidend vermogen van de naam en het logo en de herkomst van de gezamenlijk ontwikkelde dronetechnologie te beschermen. Het depot dient volgens hem daarmee de wezenlijke functie van een merk en is geen leeg, speculatief of uitsluitend blokkerend depot.

IEFBE 4273

Uitspraak ingezonden door Quirijn Meijnen, LMO advocaten.

Depot A-Team-logo na sommatie niet te kwader trouw

BBIE/OBPI 24 apr 2026, IEFBE 4273; 3000826 (Afix tegen The A-Team Agency), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/depot-a-team-logo-na-sommatie-niet-te-kwader-trouw

BBIE 24 april 2026, IEF 23739; IEFbe 4273; nr. 3000826 (Afix tegen The A-Team Agency). In deze zaak verzoekt Afix BV op grond van artikel 2.30bis lid 1 onder a in verbinding met artikel 2.2bis lid 2 BVIE om doorhaling van het op 10 december 2024 aangevraagde en op 25 februari 2025 ingeschreven gecombineerde woord-/beeldmerk van International Video Company B.V., handelend onder de naam The A-Team Agency. Het merk is ingeschreven voor diensten in de klassen 35, 41 en 42, waaronder marketing, video- en filmproductie en het ontwerpen en ontwikkelen van websites. Afix stelt dat zij het door haar ingeroepen A-logo sinds 2016 onafgebroken gebruikt en daarop auteursrechten bezit. Nadat Afix The A-Team Agency op 10 december 2024 had gesommeerd het volgens haar inbreukmakende gebruik van een aangepaste versie van haar logo te staken, diende The A-Team Agency nog diezelfde dag de merkaanvraag in. Volgens Afix blijkt daaruit dat het merk is aangevraagd om het volgens haar inbreukmakende gebruik achteraf te legitimeren en haar rechtmatige gebruik te frustreren. The A-Team Agency betwist dat sprake is van kwade trouw en voert aan dat het bestreden merk onderdeel is van een reeds gebruikte, op de televisieserie The A-Team geïnspireerde merkidentiteit. Zij stelt dat zij het logo zelf heeft ontworpen en ten tijde van het depot alleen bekend was met het volledige Afix-logo, en niet met het afzonderlijke A-logo waarop Afix zich later beriep.