IEFBE 2472

Vragen aan HvJ EU over werken die eigen visuele en onderscheidende effect vanuit esthetisch oogpunt hebben

Pejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU 6 december 2017, IEF 17471; IEFbe 2472; C-683/17 (Cofemel v G-Star Raw CV) Auteursrecht. Via minbuza: Verweerster in cassatie (G-STAR, hierna: verweerster) heeft op 30.08.2013 een vordering ingesteld tot het verkrijgen van een veroordeling tegen verzoekster in cassatie (Cofemel, hierna: verzoekster). Verweerster stelde dat verzoekster inbreuk maakte op zijn auteursrecht door o.a. identieke kledingstukken in handel te brengen en de kenmerkende elementen van de stands van verweerster op handelsbeurzen over te nemen. Verzoekster bracht in dat het algemene uiterlijk van de stands volstrekt verschillend waren en dat de kledingstukken geen ‘artistieke creaties in juridische zin’ zijn, aangezien ze niet oorspronkelijk zijn en niet bekend is aan wie de desbetreffende auteursrechten toebehoren. 

In eerste aanleg werd de ingediende vordering gedeeltelijk toegewezen. Verzoekster stelde hoger beroep in bij de rechter in tweede aanleg, waar het beroep bij arrest ongegrond werd verklaard en de bestreden vonnis werd bekrachtigd. Deze rechters kwamen tot de conclusie dat, in de onderhavige zaak, de broeken van het model ARC en het grafisch ontwerp dat is vervat in de sweaters en T-shirts van het model ROWDY, die door verweerster zijn gecreëerd, auteursrechtelijk moeten worden beschermd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2(1)i van het Portugees wetboek van auteursrechten en de naburige rechten (hierna: CDADC) gelet op de vernieuwende aard en oorspronkelijkheid ervan, evenals hun esthetische waarde, die vrucht is van de intellectuele schepping door de auteur ervan. Verzoekster stelde cassatieberoep in bij de verwijzende rechter. 

Overweging: 

Gelet op het vigerende wettelijk kader, bestaan er twijfels aangaande de verenigbaarheid van de uitleg van de bepaling van artikel 2(1)i van de CDADC met de richtlijnen van de Unie, met name met de artikelen 1 en 2 van richtlijn 2001/29. Het antwoord dat in casu op de opgeworpen vraag moet worden gegeven zou ook kunnen worden beïnvloed door het nuttig effect van richtlijn 98/71 en van richtlijn 2009/24. Anderzijds bestaat er twijfel over de vraag of uit de arresten C-5/08 en C-145/10 een jurisprudentiële lijn kan worden afgeleid die als enige voorwaarde voor de bescherming van zogenoemde werken van toegepaste kunst, industriële tekeningen en modellen en designwerken door het auteursrecht de oorspronkelijkheid ervan stelt, in de zin dat het werk het resultaat is van een intellectuele schepping door de auteur van het werk, zonder enige andere vereiste op te leggen. Gelet op verzoeksters vordering in het onderhavige cassatieberoep – bestaande in het verzoek dat de auteursrechten voor modellen en tekeningen die op bepaalde kledingstukken worden gebruikt worden uitgesloten van de door de lagere rechters aan verzoekster toegekende bescherming – hangt de uitkomst van het onderhavige cassatieberoep af van de beantwoording van de vragen die aan het Hof worden voorgelegd. Er is geen Portugese vaste rechtspraak bekend die – rechtstreeks – antwoord geeft op de gestelde concrete vragen, noch rechtspraak van het Hof die een ondubbelzinnig antwoord op deze vragen mogelijk maakt. 

Gestelde vragen:

1) Staat de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven uitlegging van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG in de weg aan een bepaling van nationaal recht – in de onderhavige zaak artikel 2, lid 1, onder i), van de Código de Direitos de Autor e Direitos Conexos (CDADC) – die auteursrechtelijke bescherming verleent aan werken van toegepaste kunst, industriële tekeningen en modellen en designwerken die, afgezien van het utilitaire doel dat ze nastreven, vanuit esthetisch oogpunt een eigen en onderscheidend visueel effect opwekken, waarbij de oorspronkelijkheid van het werk het fundamentele criterium is voor de verlening van auteursrechtelijke bescherming? 

2) Staat de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven uitlegging van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG in de weg aan een bepaling van nationaal recht – in de onderhavige zaak artikel 2, lid 1, onder i), van de CDADC – die aan werken van toegepaste kunst, industriële tekeningen en modellen en designwerken auteursrechtelijke bescherming verleent indien zij na een zeer grondige beoordeling van het artistieke karakter ervan en rekening houdend met de heersende ideeën in culturele en institutionele kringen de kwalificatie „artistieke creatie” of „kunstwerk” verdienen? 

Case-683/17:

1. Does the interpretation by the Court of Justice of the European Union of Article 2(a) of Directive 2001/29/EC preclude national legislation – in the present case, the provision in Article 2(1)(i) of the Codigo de Direitos de Autor e Direitos Conexos (Code on Copyright and Related Rights) (CADC) – which confers copyright protection on works of applied art, industrial designs and works of design which, in addition of the utilitarian purpose they serve, create their own visual and distinctive effect from an aesthetic point of view, their originality being the fundamental criterion which governs the grant of protection in the area of copyright?

2. Does the interpretation by the Court of Justice of the European Union of Article 2(a) of Directive 2001/29/EC preclude national legislation - in the present case, the provision in Article 2(1)(i) of the CDADC – which confers copyright protection on works of applied art, industrial designs and works of design if, in the light of particularly rigorous assessment of their artistic character, and taking account the dominant views in cultural and institutional circles, they qualify as an ‘artistic creation’ or ‘work of art’?