Gepubliceerd op dinsdag 26 mei 2026
IEFBE 4227
Antwerpen(afd. Mechelen) - Anvers(div. Malines) ||
21 apr 2026
Antwerpen(afd. Mechelen) - Anvers(div. Malines) 21 apr 2026, IEFBE 4227; 26/20/E (([particulier] tegen [persuitgevers]) ), https://www.ie-forum.be/artikelen/arrondissementsrechtbank-antwerpen-particulier-kan-ook-in-kort-geding-naar-ondernemingsrechtbank

Uitspraak ingezonden door C. Theunis, Artes.

Arrondissementsrechtbank Antwerpen: particulier kan ook in kort geding naar ondernemingsrechtbank

Arrondissementsrechtbank Antwerpen 21 april 2026, IEF 23572; IEF-BE 4227; 26/20/E ([particulier] tegen [persuitgevers]). In deze zaak tussen een particuliere eiser en twee persuitgevers als verwerende partijen stond de vraag centraal of de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, zetelend in kort geding, bevoegd is om kennis te nemen van een vordering ingesteld door een niet-onderneming tegen ondernemingen. Aanleiding voor het geschil vormden online nieuwsartikelen waarin eiseres – volgens haar ten onrechte en op identificeerbare wijze – werd neergezet in verband met strafrechtelijke feiten. Zij stelde dat de berichtgeving feitelijke onjuistheden en misleidende citaten bevatte en dat zij daardoor aanzienlijke reputatieschade had geleden. In kort geding vorderde zij onder meer dat de publicaties binnen 24 uur offline zouden worden gehaald, althans zouden worden geanonimiseerd en gecorrigeerd, telkens op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag of per overtreding. De zaak werd aanhangig gemaakt bij de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. De voorzitter stelde evenwel ambtshalve de vraag naar de materiële bevoegdheid. Hoewel vaststond dat de verwerende partijen ondernemingen zijn, is eiseres dat niet. In de rechtsleer bestaat een opvatting dat artikel 573, tweede lid Ger. W. – dat toelaat dat een niet-ondernemer een onderneming voor de ondernemingsrechtbank dagvaardt – niet geldt in kort geding. Volgens deze visie heeft die bepaling een uitzonderlijk karakter en moet zij restrictief worden uitgelegd, zodat zij enkel toepassing vindt in bodemprocedures en niet in spoedeisende procedures. Om die reden werd de zaak bij beschikking van 3 april 2026 verwezen naar de arrondissementsrechtbank Antwerpen, teneinde zich uit te spreken over deze bevoegdheidsvraag. De arrondissementsrechtbank verwerpt deze beperkende lezing en geeft een meer systematische interpretatie van artikel 573 Ger. W. Zij overweegt dat deze bepaling, mede in het licht van de Wet Natuurlijke Rechter, niet (langer) kan worden beschouwd als een uitzondering op de algemene bevoegdheidsregels.

Het tweede lid van artikel 573, waarin is bepaald dat een vordering tegen een onderneming ook door een niet-ondernemer voor de ondernemingsrechtbank kan worden gebracht, verleent de eiser een keuzemogelijkheid. Dat keuzerecht strekt zich volgens de arrondissementsrechtbank ook uit tot kortgedingprocedures. Doorslaggevend is dat artikel 584 Ger. W. de voorzitter bevoegd maakt om uitspraak te doen in spoedeisende aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank behoren. Nu artikel 573 toelaat dat een particulier een geschil tegen een onderneming voor die rechtbank brengt, bestaat er geen grond om die mogelijkheid in kort geding uit te sluiten. De rechtbank wijst er daarbij expliciet op dat een andere benadering tot een moeilijk verdedigbaar onderscheid zou leiden: een particulier zou dan wel een bodemprocedure tegen een onderneming kunnen voeren voor de ondernemingsrechtbank, maar voor spoedeisende maatregelen verplicht zijn zich tot een andere rechter te wenden. Een dergelijke beperking vindt geen steun in de wetssystematiek. De conclusie luidt dan ook dat de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, zetelend in kort geding, bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen ingesteld door niet-ondernemingen tegen ondernemingen. De zaak wordt terugverwezen zodat zij verder ten gronde kan worden behandeld door de ondernemingsrechtbank. Deze uitspraak is met name relevant voor geschillen op het snijvlak van mediarecht, reputatie en privacy, waarin particulieren zich richten tegen professionele uitgevers. Zij bevestigt dat ook in spoedeisende situaties rechtstreeks kan worden gekozen voor de ondernemingsrechtbank, zonder dat de hoedanigheid van de eiser daaraan in de weg staat. Daarmee wordt een in de rechtsleer gesignaleerde onzekerheid weggenomen en krijgt de forumkeuze in dit type zaken een duidelijker kader.

4.1 Krachtens artikel 573, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de ondernemingsrechtbank in eerste aanleg kennis van de geschillen tussen ondernemingen, die niet vallen onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges en die, wat betreft natuurlijke personen, betrekking hebben op een handeling die niet kennelijk vreemd is aan de onderneming. Volgens het tweede lid van de bepaling kan de vordering gericht tegen een onderneming onder de voorwaarden bepaald in het eerste lid, eveneens voor de ondernemingsrechtbank worden gebracht, zelfs indien de eiser geen onderneming is. Het woord ‘kan’ in deze laatste bepaling moet zo worden begrepen dat de eisende partij die geen onderneming is, de keuze heeft om een geschil hetzij voor de rechtbank van eerste aanleg — in geval van geringe waarde van de vordering, voor de vrederechter — hetzij voor de ondernemingsrechtbank te brengen. De huidige regeling werd ingevoerd door de Wet Natuurlijke Rechter¹, die in haar artikel 2 het artikel 573 heeft vervangen, en verandert niets aan de situatie die voorheen bestond: “Het artikel in ontwerp behoudt de mogelijkheid voor de aanvragers die geen ondernemingen zijn om de voorkeur eraan te geven hun vordering voor de rechtbank van koophandel in te dienen, met dien verstande dat hun vordering betrekking moet hebben op een economische activiteit van de verweerder.”

4.2. In dat licht kan de huidige formulering van artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek niet langer worden gezien als een uitzondering op de algemene bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. Het tweede lid van artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek kan evenmin worden gezien als een uitzondering op de regel van het eerste lid, die desgevallend restrictief zou moeten worden geïnterpreteerd, maar is net als het eerste lid bepalend voor de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank.

4.3 Krachtens artikel 584, lid 3 van het Gerechtelijk Wetboek kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank bij voorraad uitspraak doen in gevallen die hij spoedeisend acht, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren. Nu partijen die geen onderneming zijn hun vorderingen tegen ondernemingen voor de ondernemingsrechtbank kunnen brengen, bestaan er geen redenen waarom zij een gelijkaardige vordering in kort geding niet voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank zouden kunnen brengen. Het zou niet coherent zijn dat een niet-onderneming wel ten gronde voor de ondernemingsrechtbank kan procederen tegen een onderneming, maar voor spoedeisende maatregelen verplicht wordt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te adiëren.