IEFBE 2996

Bevoegdheid rechter bij inbreuk Uniemerk 'waar de inbreuk heeft plaatsgevonden'

HvJ EU 5 september 2019, IEF 18850, IEFbe 2996; ECLI:EU:C:2019:674 (AMS Neve tegen Heritage Audio) Uitlegging artikel 97, lid 5 van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het (Unie)merk. AMS Neve is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en produceert/verkoopt audioapparatuur. Heritage Audio is gevestigd in Spanje en verkoopt eveneens audioapparatuur. AMS stapt naar de Intelectual Property and Enterprise Court (merkenrechter Verenigd Koninkrijk) met een vordering wegens inbreuk op een Uniemerk waarvan AMS een exclusieve licentie houdt. Zij menen dat Heritage imitaties van de aan AMS toebehorende Uniemerk te koop hebben aangeboden in het Verenigd Koninkrijk. Het Court of Appeal vraagt uitleg omtrent enkele aspecten met betrekking tot haar bevoegdheid inzake. Nu er reclameuittingen hebben plaatsgevonden die zijn gericht op consumenten en handelaren die zich in het Verenigd Koninkrijk bevinden, is derhalve ook de rechter in deze lidstaat bevoegd kennis te nemen.

Antwoord:

65. Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 97, lid 5, van verordening nr. 207/2009 aldus moet worden uitgelegd dat de houder van een Uniemerk die meent benadeeld te zijn doordat een derde zonder zijn toestemming eenzelfde teken als dit merk heeft gebruikt in advertenties en verkoopaanbiedingen die langs elektronische weg werden weergegeven voor dezelfde of soortgelijke waren als die waarvoor dit merk is ingeschreven, tegen deze derde een vordering wegens inbreuk kan instellen voor een rechtbank voor het Uniemerk van de lidstaat waar de consumenten en handelaren zich bevinden tot wie deze advertenties of verkoopaanbiedingen waren gericht, ook al heeft die derde de beslissingen en maatregelen om deze advertenties en verkoopaanbiedingen op het internet te plaatsen in een andere lidstaat genomen.

 

Prejudiële vragen:

„Wanneer een onderneming is gevestigd in lidstaat A en aldaar stappen heeft ondernomen om te adverteren voor bepaalde waren en deze onder een teken dat identiek is aan een Uniemerk te koop aan te bieden op een website die is gericht op zowel handelaren als consumenten in lidstaat B:

i)       is een rechtbank voor het Uniemerk in lidstaat B in dat geval bevoegd om kennis te nemen van een vordering wegens inbreuk op het Uniemerk met betrekking tot dit adverteren en te koop aanbieden van de waren op het grondgebied van lidstaat B?

ii)      indien dit niet het geval is, welke andere criteria moet die rechtbank voor het Uniemerk dan in aanmerking nemen om te bepalen of zij al dan niet bevoegd is om op die vordering te beslissen?

iii)      voor zover het antwoord op punt ii) vereist dat de betrokken rechtbank voor het Uniemerk nagaat of de onderneming op actieve wijze stappen heeft gezet in lidstaat B, aan de hand van welke criteria kan dan worden onderzocht of dit inderdaad het geval is?”