IEFBE 3309

Conclusie A-G in Acacia tegen Bayerische Motoren Werke

HvJ EU conclusie A-G 28 oktober 2021, IEF 20282, IEFbe 3309; ECLI:EU:C:2021:886 (Acacia tegen Bayerische Motoren Werke) Via MinBuza: Geïntimeerde is autofabrikant en onder meer houdster van het litigieus gemeenschapsmodel. Appellante, een Italiaanse onderneming, produceert in Italië velgen voor motorvoertuigen en brengt deze goederen in de EU in de  handel. Geïntimeerde voert aan dat het in de handel brengen van bepaalde velgen in Duitsland inbreuk maakt op het litigieuze gemeenschapsmodel, terwijl appellante zich beroept op de reparatieclausule van artikel 110 VGM.

De rechter in eerste aanleg heeft de vordering in haar geheel toegewezen en appellante – zij het territoriaal beperkt tot Duitsland – veroordeeld tot staking, informatieverstrekking, overlegging van documenten en afgifte van de inbreukmakende goederen met het oog op vernietiging ervan, alsook tot betaling van schadevergoeding. De rechter, die zijn internationale bevoegdheid heeft gebaseerd op artikel 82(5) VGM heeft op de nevenvorderingen op grond van artikel 8(2) Rome II-verordening het Duitse recht toegepast. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Zij blijft zich met name beroepen op de reparatieclausule van artikel 110 VGM. Voorts stelt zij dat volgens artikel 8(2) Rome II-verordening het Italiaanse recht van toepassing is op de door geïntimeerde ingestelde nevenvorderingen. A-G Szpunar concludeert als volgt:

88.      Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Oberlandesgericht Düsseldorf te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (,Rome II’) alsmede artikel 88, lid 2, en artikel 89, lid 1, onder d), van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer bij een gerecht van een lidstaat op grond van artikel 82, lid 5, van laatstgenoemde verordening een vordering wegens inbreuk wordt ingesteld door een in die lidstaat gevestigde houder tegen iemand in een andere lidstaat die de inbreuk heeft gemaakt en die beoogt de betrokken goederen in eerstgenoemde lidstaat aan te bieden en in de handel te brengen, er sprake is van een geval waarin tussen de rechtstelsels van verschillende landen moet worden gekozen in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 864/2007 en waarin artikel 8, lid 2, van die verordening bijgevolg het recht aanwijst dat van toepassing is op tot het grondgebied van die lidstaat beperkte nevenvorderingen.

2)      Artikel 8, lid 2, van verordening nr. 864/2007 moet aldus worden uitgelegd dat, voor de vaststelling van het recht dat van toepassing is op de nevenvorderingen bij die vordering wegens inbreuk, het begrip ‚land waar de inbreuk is gepleegd’ in de zin van die bepaling ziet op het land van de plaats waar de oorspronkelijke inbreukmakende handeling, die ten grondslag ligt aan het verweten gedrag, is verricht.”

Prejudiciële vragen:
 

 „1)      Is het de geadieerde nationale rechter aan wie op grond van artikel 82, lid 5, van verordening nr. 6/2002 internationale rechtsbevoegdheid toekomt als rechterlijke instantie van de lidstaat waar inbreuken op gemeenschapsmodellen hebben plaatsgevonden, toegestaan om het nationale recht van de lidstaat waar deze rechter zetelt (lex fori), toe te passen op tot het grondgebied van zijn lidstaat beperkte nevenvorderingen?

2)      Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: kan de ‚plaats waar de oorspronkelijke inbreukmakende handeling is verricht’ in de zin van het [arrest Nintendo], met het oog op het bepalen van het op nevenvorderingen toepasselijke recht overeenkomstig artikel 8, lid 2, van [de Rome II-verordening], ook zijn gelegen in de lidstaat waar consumenten wonen tot wie internetreclame is gericht en waar op een gemeenschapsmodel inbreukmakende goederen in de handel worden gebracht in de zin van artikel 19 van verordening nr. 6/2002, voor zover uitsluitend wordt opgekomen tegen het aanbieden en in de handel brengen van die goederen in deze lidstaat, ook wanneer het internetaanbod dat ten grondslag ligt aan dat aanbieden en in de handel brengen in een andere lidstaat op gang werd gebracht?”