IEFBE 2884

Conclusie AG naburige rechten Spedidam

Conclusie AG 16 mei 2019, IEF 18469, IEFbe 2884; ECLI:EU:C:2019:423 (Spedidam) Is het toelaatbaar dat een lidstaat in zijn wetgeving inzake het auteursrecht voorziet in een vermoeden dat de uitvoerend kunstenaar van een bepaald werk een openbare instelling die tot taak heeft audiovisuele opnamen te bewaren, toestemming heeft gegeven om het werk te publiceren en indien nodig, te exploiteren door middel van een stilzwijgende overdracht van de rechten van de uitvoerend kunstenaar? Dat is de kernvraag waar het in dit verzoek om een prejudiciële beslissing om gaat.

Conclusie AG:

33.      In het arrest Soulier en Doke oordeelde het Hof dat de vergelijkbare bescherming die aan auteurs is toegekend met betrekking tot de reproductie van hun werken en de mededeling ervan aan het publiek in die zin moet worden opgevat „dat zij zich niet beperkt tot het genot van de door artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 gewaarborgde rechten, maar zich ook uitstrekt tot de uitoefening van deze rechten”.(7) Het Hof voegde hieraan toe dat „de rechten die bij artikel 2, onder a), en bij artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 ten behoeve van de auteurs zijn gewaarborgd, [...] preventief van aard [zijn], in die zin dat voor elke reproductie of mededeling aan het publiek van een werk door een derde de voorafgaande toestemming van de auteur is vereist”.(8) Niettemin oordeelde het Hof – anders dan de advocaat-generaal(9) – dat „in artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 niet nader [wordt] bepaald welke vorm de voorafgaande toestemming van de auteur moet aannemen, zodat deze bepalingen niet aldus kunnen worden opgevat dat een dergelijke toestemming noodzakelijkerwijze expliciet moet worden geuit. Deze bepalingen moeten juist worden geacht ook een impliciete uiting toe te staan”(10), afhankelijk van de naleving van strenge voorwaarden. De nationale wetgeving moest volgens het Hof namelijk voorzien in een mechanisme waarmee wordt gewaarborgd dat uitvoerend kunstenaars daarvan daadwerkelijk en persoonlijk in kennis worden gesteld en dat het genot en de uitoefening van het reproductierecht en het recht van mededeling aan het publiek die aan uitvoerend kunstenaars zijn toegekend, niet aan enige formaliteit kunnen worden onderworpen.(11)

(...)

35.      Ten eerste zijn de rechten die door deze verschillende bepalingen worden beschermd, geformuleerd in identieke en onvoorwaardelijke bewoordingen. Ten tweede wordt, op dezelfde manier als de uitlegging van artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 wordt ondersteund door artikel 5, lid 2, van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst(12) – op grond waarvan het genot en de uitoefening van het reproductierecht en het mededelingsrecht aan geen enkele formaliteit onderworpen zijn – een identieke uitlegging van artikel 2, onder b), en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 ondersteund door artikel 20 van het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen (hierna: „WPPT”), dat op 20 december 1996 in Genève werd aangenomen en een vergelijkbare bepaling bevat.(13) Ten derde bestaat er geen hiërarchie tussen auteursrechten en rechten van uitvoerend kunstenaars.(14)

36.      Parallel aan de uitlegging van de artikelen 2 en 3 van richtlijn 2001/29 moet worden opgemerkt dat het Hof ook in het arrest Luksan heeft geoordeeld „dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om te voorzien in een vermoeden van overdracht van de exploitatierechten van het cinematografische werk als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn (recht op uitzending per satelliet, reproductierecht en elk ander recht van mededeling aan het publiek door middel van de beschikbaarstelling aan het publiek), aan de producent van het cinematografische werk, vooropgesteld dat dit vermoeden weerlegbaar is zodat de hoofdregisseur van dit werk iets anders kan overeenkomen”.(15) In dit kader is het tevens belangrijk te benadrukken, zoals het Hof heeft gedaan in het arrest Soulier en Doke, dat „de voorwaarden [waaronder] impliciete toestemming kan worden verondersteld te zijn gegeven, strikt moeten worden gedefinieerd om de omvang van het beginsel zelf van voorafgaande toestemming van de auteur niet in te perken”.(16)

37.      Zo het antwoord in het arrest Luksan beperkt is tot de producent van een cinematografisch werk, is dat alleen vanwege de specifieke feiten van die zaak. Bovendien is het bereik van de uitlegging van het Hof van dit beginsel van een vermoeden van overdracht in bepaalde omstandigheden desalniettemin breder, ook al heeft het Hof zijn redenering in dat arrest voornamelijk gebaseerd op artikel 3, leden 4 en 5, van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom(17), waarin werd voorzien in een vermoeden van overdracht van het verhuurrecht aan de producent van een film. Deze uitlegging moet ook kunnen worden toegepast op de door richtlijn 2001/29 gewaarborgde rechten, om welk soort werk het ook gaat. Zoals het Hof in die zaak heeft onderstreept, vereiste de productie van films en multimediaproducten in beide gevallen aanzienlijke investeringen.(18) Dat is waarom „de Uniewetgever [...] bij de vaststelling van richtlijn 2001/29 [...] niet de toepassing van een concept als dat van het vermoeden van overdracht [heeft] willen uitsluiten met betrekking tot de in deze richtlijn geregelde exploitatierechten”, zoals het Hof in algemene bewoordingen stelde.(19)

38.      Gelet op bovenstaande overwegingen ben ik van mening dat een mechanisme van vermoeden van toestemming in principe ook moet kunnen worden toegepast inzake exploitatierechten van een audiovisueel werk zoals reproductierechten en elk ander recht van mededeling aan het publiek door middel van beschikbaarstelling, zoals is vastgesteld bij richtlijn 2001/29.(20)

39.      Dit geldt temeer in de context van (relatief) oud audiovisueel beeldmateriaal – zoals in het onderhavige geval – waarbij het nu, zo lang na datum, moeilijk zou kunnen zijn om het relevante bewijsmateriaal (ervan uitgaande dat het überhaupt bestond) op te sporen waaruit blijkt dat de uitvoerend kunstenaar toestemming heeft gegeven voor de exploitatie van zijn werk door een andere partij. Relevant is verder dat met de wetgeving in kwestie, net als in het arrest Soulier en Doke, een doel wordt nagestreefd dat neerkomt op een vorm van op vermoedens gebaseerde licentieverlening van auteursrechten „in het cultureel belang van consumenten en van de maatschappij in haar geheel”(21).

40.      Tegelijkertijd moet het Hof waarborgen dat een dergelijk wettelijk vermoeden niet zo ver reikt dat daarmee de uitsluitende aard van het recht dat de rechthebbenden genieten in feite wordt ondermijnd.

41.      Hoewel het begrip „vermoeden”, zoals uiteengezet in het arrest Luksan, in principe ook op de onderhavige zaak kan worden toegepast, zijn er ook belangrijke verschillen tussen de twee zaken. Een belangrijk kenmerk van het arrest Luksan is dat het Hof heeft geoordeeld dat het de lidstaten vrij staat te beschikken over nationale wetgeving waarin wordt voorzien in een vermoeden van overdracht van de verhuurrechten van de film van de filmregisseur aan de filmproducent, aangezien hiermee werd tegemoetgekomen aan een van de doeleinden in overweging 5 van richtlijn 2006/115, namelijk „de producent de mogelijkheid bieden om de investeringen terug te verdienen die hij heeft gedaan voor de totstandbrenging van het cinematografische werk”(22).

42.      Die logica is niet van toepassing op de onderhavige zaak, aangezien van een commerciële relatie tussen ZV en het INA geen sprake was, en nog minder van welke suggestie dan ook dat het INA in de rol van derde de verfilming van de uitvoeringen in kwestie had gefinancierd. Het hele uitgangspunt voor het wettelijk vermoeden in de onderhavige zaak is derhalve simpelweg gebaseerd op een opvatting van algemeen belang dat het wenselijk was dat televisie-erfgoed in omstandigheden waarin het verkrijgen van de toestemming van de uitvoerend kunstenaars (of hun erfgenamen) buitengewoon moeilijk of zelfs onmogelijk zou kunnen zijn, toch geëxploiteerd kon worden.

43.      Dergelijke wetgeving inzake het auteursrecht die berust op het beginsel van stilzwijgende toestemming of een vermoeden van toestemming mag geen afbreuk doen aan het uitsluitende recht van de uitvoerend kunstenaar, behalve wanneer het noodzakelijk is om de wettelijke doelstellingen te verwezenlijken. Alleen in zulke omstandigheden kan worden gesteld dat de nationale wetgeving het evenredigheidsbeginsel met betrekking tot de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten eerbiedigt.(23)

44.      In dat opzicht moet echter worden opgemerkt dat in artikel 49 van de wet betreffende de vrijheid van mededeling wordt voorzien in de organisatie en totstandbrenging van een overdracht van de rechten van de uitvoerend kunstenaar op basis van de impliciete toestemming ten gunste van het INA. Op grond van de al genoemde redenen ben ik van mening dat dit onder deze omstandigheden zou neerkomen op een onevenredige inbreuk op de uitsluitende aard van de rechten van de uitvoerend kunstenaar. Mijns inziens is op zijn minst impliciet in de motivering van het Hof in het arrest Soulier en Doke(24) dat een dergelijke overdracht op een evenredige wijze moet plaatsvinden en dat daarbij niets aan de exclusiviteit van dit recht kan worden afgedaan, behalve wanneer dat voor dit doeleinde duidelijk nodig is.

45.      Dat vormt volgens mij de kern van het probleem met de nationale wet die in het hoofdgeding aan de orde is. Wanneer daarin simpelweg een vorm van een impliciete licentieregeling inzake auteursrecht ten gunste van het INA zou zijn gecreëerd, zou zijn voldaan aan de vereisten van richtlijn 2001/29. De onderhavige wet gaat veel verder in de zin dat deze niet voorziet in een impliciete licentie ten gunste van het INA, maar eerder in impliciete toestemming voor een overdracht van rechten van die uitvoerend kunstenaars. Het is dus de onevenredige manier waarop de nationale wet functioneert waardoor deze strijdig is met de vereisten van het Unierecht.

VI.    Conclusie

46.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Cour de cassation te beantwoorden als volgt:

„Artikel 2, onder b), artikel 3, lid 2, onder a), en artikel 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij dienen aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling zoals neergelegd in artikel 49(II) van de loi n° 86‑1067 du 30 septembre 1986 relative à la liberté de communication, zoals gewijzigd bij artikel 44 van wet nr. 2006‑961 van 1 augustus 2006, voor zover deze voorziet in een overdracht van de rechten van uitvoerend kunstenaars aan het Institut national de l’audiovisuel.”