13 jun 2025
Artikel door Caroline Theunis, Artes Law.
Hof van Cassatie 13 juni 2025: vermelding van de fonogramproducent ‘als dusdanig’ vereist voor beroep op het vermoeden van houderschap van de rechten
In het arrest van 13 juni 2025 preciseert het Hof van Cassatie de reikwijdte van het wettelijk vermoeden van houderschap ten behoeve van fonogramproducenten in België.
Het Hof bevestigt dat de feitenrechter onaantastbaar oordeelt of aan de toepassingsvoorwaarden van dit vermoeden is voldaan. Niet iedere vermelding op (een reproductie van) een fonogram volstaat opdat het vermoeden van houderschap uitwerking heeft: vereist is dat die persoon ‘als dusdanig’ wordt aangeduid.
Dit artikel is geschreven door Caroline Theunis, advocaat bij Artes Law.
Het wettelijk vermoeden uit artikel XI.209, §2 WER
Artikel XI.209, §2 van het Wetboek van Economisch Recht (‘WER’) bepaalt dat, tenzij het tegendeel is bewezen, een ieder als de producent van fonogrammen wordt aangemerkt wiens naam of identificerend letterwoord als dusdanig op (de reproductie van) de prestatie of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld. Deze bepaling was deel van de omzetting in het Belgisch recht van Richtlijn 2004/48/EG (‘Handhavingsrichtlijn’).
De formulering ‘als dusdanig’ komt overeen met de terminologie van artikel 15 van de Berner Conventie. De Handhavingsrichtlijn verwijst naar de Berner Conventie en herhaalt dat de naam of het letterwoord ‘op de gebruikelijke wijze’ vermeld moet staan (via overeenkomstige toepassing van artikel 5 van deze richtlijn met betrekking tot het vermoeden van houderschap van auteursrechten).
Het label van de vinylplaat in casu
Volgens M.L. en High Fashion Music BV (eisers) bevatte een muzieknummer dat door North East West South NV (verweerster) was uitgebracht een sample van de opname ‘In The Mix’ van eisers zonder dat dezen daarvoor hun toestemming hadden verleend, waardoor een inbreuk voorlag op hun rechten als producent. Zij meenden zich te kunnen beroepen op het vermoeden van houderschap uit artikel XI.209, §2 van het WER, omdat het label van de vinylplaat ‘produced by M.L.’ vermeldde.
Volgens hof van beroep te Antwerpen konden eisers op basis van dit wettelijk vermoeden echter niet als producenten van het fonogram worden beschouwd. Hoewel zij zich in abstracto op artikel XI.209, §2 van het WER konden beroepen, was aan de toepassingsvoorwaarden volgens dit hof niet voldaan.
Het hof baseerde zich op de volgende feitelijke vaststellingen:
- op het label werd een andere partij, DJ International Records, ‘als zodanig’ als producent van het fonogram vermeld, namelijk via de vermelding ‘all tracks are original DJ International recordings’;
- op de vermelding ‘produced by M.L.’ volgde de bijkomende vermelding ‘Additional production by TC and RJ’;
- deze vermeldingen gaven veeleer aan dat eisers, met TC en RJ, het creatief proces hadden begeleid, waardoor ze beschouwd dienden te worden als de creatieve producenten en niet de producenten van het fonogram.
In deze omstandigheden bleef het volgens het hof aan de eisers om hun hoedanigheid als fonogramproducent te bewijzen. Volgens eisers was dit oordeel in strijd met artikel XI.209, §2 van het WER.
De bevestiging van het Hof van Cassatie
Het Hof van Cassatie bevestigde de wettigheid van de beoordeling van het hof van beroep. Het vermoeden van houderschap van de rechten van een fonogramproducent vindt niet automatisch toepassing van zodra een naam of letterwoord op (een reproductie van) het fonogram voorkomt. Dat is enkel het geval bij vermelding ‘als dusdanig’.
De rechter oordeelt onaantastbaar of iemand ‘in zijn hoedanigheid van producent’ wordt vermeld. Daarbij kan rekening worden gehouden met de manier waarop er is vermeld, de locatie ervan en de gebruiken in de sector.
Op basis van hun feitelijke vaststellingen konden de appelrechters wettig oordelen dat niet aan de toepassingsvoorwaarden was voldaan, zodat de bewijslast omtrent de hoedanigheid als producent bij de eisers bleef rusten.
Conclusie
Men mag het onderscheid niet uit het oog verliezen tussen de materiële rechten van producenten van fonogrammen, enerzijds, en de bewijsrechtelijke mechanismen die hun handhaving moeten vergemakkelijken, anderzijds.
Dat iemand op (een reproductie van) een fonogram vermeld staat, volstaat op zich niet om het vermoeden uit art. XI.209, §2 WER te laten spelen. Dit is een wettelijk, maar weerlegbaar vermoeden dat onderworpen blijft aan de feitelijke appreciatie die toekomt aan de rechter. Er is geen gewaarborgd recht of automatische uitwerking ervan bij eender welke vermelding op een fonogram of reproductie.