IEFBE 2832

Hof vernietigt beslissing CPVO: onderzoek naar Braeburn niet voldoende gemotiveerd

HvJ EU 5 februari 2019, IEF 18277; IEFbe 2832; ECLI:EU:T:2019:57 (Mema GmbH tegen CPVO). Mema GmbH LG (hierna: Mema) heeft bij het Communautair Bureau voor plantenrassen (hierna: CPVO) een aanvraag tot verlening van een communautair kwekersrecht ingediend voor het ras Braeburn 78 (een appel ras). Hierna is op verzoek van het CPVO een onderzoek gedaan naar dit ras. De conclusie: het ras Braeburn 78 is onvoldoende onderscheidbaar van het referentieras Royal Braeburn en de X9466. Tegen deze afwijzingsbeslissing heeft Mema beroep ingesteld. Dit verzoek is afgewezen. Hierop is Mema naar het Hof van Justitie gestapt, en verzoekt het gerecht de bestreden beslissing te vernietigen, en om de zaak terug te verwijzen naar de kamer van beroep van het CPVO voor verder onderzoek. Het Hof oordeelt dat het niet op haar weg ligt om bevelen te geven aan het CPVO en beoordeelt deze vordering dus als niet ontvankelijk. Hierna behandelt het hof de vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing. Hiertoe voert Mema drie middelen aan waarbij het eerste middel in wezen is ontleend aan misbruik van bevoegdheid en schending van artikel 57 lid 3 van de basisverordening, het tweede aan het feit dat het technisch onderzoek een aantal fouten bevat, en tot slot het derde aan schending van het recht om te worden gehoord en ontoereikende motivering. Eerst behandelt het hof het derde middel, waarbij zij stelt dat niet alle aangevoerde argumenten uitdrukkelijk en uitputtend hoeven te worden beantwoord. Hierna gaat het hof in op het onderzoek zoals dit door het CPVO is meegenomen in haar beoordeling, en stelt hieromtrent vast dat niet kan worden uitgesloten dat de opgeworpen bezwaren invloed hebben op de testresultaten. Daarnaast stelt het hof vast dat de kamer van beroep het betoog van Mema tekort heeft gedaan door deze te weerleggen met de argumenten dat de criteria weliswaar vaag maar hanteerbaar waren, en dat zij vertrouwde op de deskundigheid van de onderzoekers. Dit alles overwegende komt het hof tot de conclusie dat de verwerping van het beroep inderdaad niet voldoende is gemotiveerd.

29 Er zij aan herinnerd dat het CPVO in het kader van een bij de rechter van de Europese Unie ingesteld beroep tegen de beslissing van de kamer van beroep van het CPVO, ingevolge artikel 73, lid 6, van de basisverordening verplicht is de maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van de Unierechter. Bijgevolg staat het niet aan het Gerecht om bevelen te richten aan het CPVO, dat zelf de consequenties dient te trekken die uit het dictum en de motivering van de arresten van de Unierechter voortvloeien [zie in die zin arrest van 11 juli 2007, El Corte Inglés/BHIM – Bolaños Sabri (PiraÑAM diseño original Juan Bolaños), T‑443/05, EU:T:2007:219, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

44 Om de motiveringsverplichting na te komen, hoeven niet alle door een verzoekende partij aangevoerde argumenten uitdrukkelijk en uitputtend te worden beantwoord, mits het CPVO de feiten en rechtsoverwegingen uiteen zet die in het bestek van de beslissing van wezenlijk belang zijn (zie arrest van 23 februari 2018, Gala Schnico, T‑445/16, EU:T:2018:95, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 In casu kan niet worden uitgesloten dat de door verzoekster in het onderhavige geval opgeworpen bezwaren betreffende de vermeende niet-eerbiediging van de criteria van het protocol inzake het oogstmoment en het moment van rijpheid, indien zij terecht zijn, van invloed kunnen zijn op de vraag of de beoordeling van de onderscheidbaarheid werd verricht zoals het protocol voorschrijft. Het stond bijgevolg aan de kamer van beroep om zich hierover uit te spreken, aangezien deze overwegingen immers van wezenlijk belang zijn voor de beslissing die de kamer van beroep diende vast te stellen aan het einde van het door haar met inachtneming van de in de punten 34 tot en met 42 hierboven aangehaalde beginselen te verrichten onderzoek.

51 Vastgesteld dient evenwel te worden dat de kamer van beroep ter afdoening van verzoeksters betoog betreffende de beoordelingen van GEVES inzake met name het tijdstip van de oogst en de overwegingen betreffende de indicator van zetmeelafname alsook het moment waarop het voedsel rijp is (zie punt 21 hierboven), enerzijds enkel heeft verklaard dat de criteria die dienden te worden gehanteerd weliswaar vaag waren gedefinieerd maar volgens haar waren „toegepast”, en anderzijds louter erop heeft gewezen dat zij vertrouwen stelde in de bevindingen van de deskundigen, zonder dat zij echter op enigerlei wijze heeft toegelicht waarom de technische argumenten en de bewijselementen, met name de door verzoekster overgelegde deskundigenverslagen, irrelevant waren en derhalve buiten beschouwing dienden te worden gelaten.

52 Bijgevolg brengt de bestreden beslissing de redenering van de kamer van beroep op basis waarvan zij heeft geoordeeld zich te kunnen baseren op de lacunaire vaststellingen van GEVES en verzoeksters argumenten te moeten afwijzen, niet duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting.

Afbeelding afkomstig van: http://www.me-ma.eu/braeburn.html