IEFBE 3047

Hongaarse belastingsanctie is onverenigbaar met Unierecht

HvJ EU 3 maart 2020, IT 3061, IEFbe 3047; ECLI:EU:C:2020:141 ( Google Ireland Limited tegen Hongaarse belastingdienst) Het Ierse Google Ireland Limited oefent in 2016 aan Hongaarse advertentiebelasting onderworpen activiteiten uit. De belasting is van toepassing op ondernemingen die slechts online diensten in de Hongaarse taal aanbieden, zonder dat deze diensten noodzakelijkerwijs in Hongarije „verbruikt” worden. Google verzuimt echter om te voldoen aan haar verplichting tot registratie en betaalt de belasting niet, waarop de Hongaarse  Belasting- en douanedienst besluit om een boete van meer dan drie miljoen euro op te leggen aan Google. Google is het hier niet mee eens. De Hongaarse rechter stelt prejudiciële vragen. Het Hof van Justitie concludeert dat een specifieke registratieplicht voor de heffing en inning van een bijzondere belasting (in dit geval de advertentiebelasting) op zich niet in strijd is met de vrijheid van dienstverrichting. Daarnaast vormt de specifieke wijze waarop de Hongaarse wet op de advertentiebelasting dwangmaatregelen oplegt aan buiten Hongarije gevestigde ondernemingen een indirecte beperking van de vrijheid van dienstverrichting die vanwege haar onevenredigheid niet gerechtvaardigd is. Voor de inperking van de rechtsbescherming tegen de bijzonder hoge dwangsommen die met betrekking tot de advertentiebelasting worden opgelegd, geldt dat dit een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van dienstverrichting vormt.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat die in een andere lidstaat gevestigde verrichters van advertentiediensten met het oog op de heffing van advertentiebelasting een registratieverplichting oplegt, terwijl verrichters van dergelijke diensten die in de lidstaat van belastingheffing zijn gevestigd, van die verplichting zijn vrijgesteld op grond van het feit dat zij zich reeds moeten aanmelden of registreren met het oog op de heffing van andere belastingen in die lidstaat.

2)      Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan aan dienstverrichters die in een andere lidstaat zijn gevestigd en die niet hebben voldaan aan een registratieverplichting met het oog op de heffing van advertentiebelasting, binnen enkele dagen een reeks van boetes wordt opgelegd waarvan het bedrag bij elke nieuwe vaststelling van niet-naleving van die verplichting vanaf de tweede boete wordt verdrievoudigd ten opzichte van het bedrag van de vorige boete, hetgeen resulteert in een cumulatief bedrag van meerdere miljoenen euro’s, zonder dat de bevoegde dienst voor de vaststelling van het besluit tot definitieve vaststelling van het cumulatieve bedrag van die geldboeten aan die dienstverrichters de nodige tijd geeft om aan hun verplichtingen te voldoen, hen in de gelegenheid stelt hun opmerkingen te maken en zelf de ernst van de inbreuk beoordeelt, terwijl het bedrag van de geldboete die wordt opgelegd aan een in de lidstaat van belastingheffing gevestigde dienstverrichter die in strijd met de algemene regels van het nationale belastingrecht een soortgelijke aanmeldings‑ of registratieverplichting niet heeft nageleefd, aanzienlijk lager is en bij voortdurende niet-naleving van een dergelijke verplichting noch in dezelfde verhouding, noch noodzakelijkerwijs binnen even korte termijnen wordt verhoogd.