IEFBE 3077

Houder Wafelland kan zich verzetten tegen jonger merk Wafelland.be

Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel 7 mei 2020, IEFbe 3077; A/19/01442 (Wafelland tegen Wafelland.be) Op 1 maart 2007 werd een feitelijke vereniging opgericht met als doel de uitbating van een handel in het verdelen van wafels en andere suikerwaren ten behoeve van organisaties zoals scholen, jeugdverenigingen, sportclubs en andere verenigingen die benefietacties organiseren. De feitelijke vereniging "Wafelland" werd ingeschreven in de Belgische Kruispuntbank voor Ondernemingen. De domeinnaam wafelland.be werd op 15 januari 2007 geregistreerd. De handelszaak werd van bij aanvang uitgebaat onder de handelsnaam "Wafelland", zoals blijkt uit een afleveringsbon.

Verwerende partij voert aan dat de feitelijke vereniging niet werd overgenomen door de BVBA Wafelland. Dit gaat in tegen de stukken. Dit gaat eveneens in tegen de overdracht van de domeinnaam waffelland.be aan de heer S op 8 april 2014.
Terecht voert eisende partij aan dat zij zich als houder van een oudere handelsnaam kan verzetten tegen het gebruik van een jonger identiek of overeenstemmend merk.
Verwerende partij stelt terecht dat het verwarringsgevaar in concreto moet worden beoordeeld, Dit betekent echter niet dat er ook concreet verwarringsgevaar voorhanden moet zijn. Dit wordt duidelijk aangegeven door de artikelen VI.97, VI.98, VI.104 en VI.105 WER waarop eisende partij zich beroept gezien de toevoeging van het woord "kan". Immers, het is bij de beoordeling van een vordering inzake handelsnamen in principe irrelevant te weten of er daadwerkelijk klanten in verwarring werden gebracht of misleid. De vaststelling dat misleiding mogelijk is, volstaat. Artikel XVII.9 WER laat toe het onrechtmatig handelen te doen staken bij wijze van preventief stakingsbevel.

27. Verwerende partij stelt terecht dat het verwarringsgevaar in concreto moet worden beoordeeld. Dit betekent echter niet dat    er ook concreet verwarringsgevaar voorhanden moet. Dit wordt duidelijk aangegeven door de artikelen VI. 97,  VI. 98,  VI. 104 en  VI. 105  WER  waarop eisende partij  zich beroept gezien de toevoeging van het woord "kan".

Immers, het is bij  de beoordeling  van een vordering inzake handelsnamen  in principe irrelevant te weten of er daadwerkelijk  klanten in verwarring  werden gebracht of misleid. De vaststelling dat misleiding mogelijk is, volstaat.