IEFBE 2993

HvJ EU: bevoegdheid rechtbanken omtrent Gemeenschapsmodellen

HvJ EU 21 november 2019, IE 18839; ECLI:EU:C:2019:998 (Bevoegdheid Gemeenschapsmodellen) Antwoord op prejudiciële vraag van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Met verordening nr. 6/2002, afdeling 2 (“Geschillen ter zake van inbreuk op en geldigheid van Gemeenschapsmodellen”) wordt onder andere gepoogd in iedere lidstaat ‘rechtbanken voor Gemeenschapsmodellen’ te creëren, met als doel een hogere mate van specialisatie te bewerkstelligen. De vraag wordt opgeworpen welke rechterlijke instanties van een lidstaat bevoegd zijn voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen voor een Gemeenschapsmodel. Is dit enkel voorbehouden aan de hiervoor genoemde gespecialiseerde rechtbanken, of zijn ook andere gerechten van lidstaten bevoegd? Bij de beantwoording hiervan dient niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoording van de bepaling, maar ook met de context en de doelstellingen. Geconcludeerd wordt dat rechtbanken die bevoegd zijn voorlopige of beschermende maatregelen voor nationale modellen te bevelen, ook bevoegd zijn om hetzelfde te doen voor Gemeenschapsmodellen.

Antwoord op prejudiciële vraag:

32      Uit de bewoordingen van artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 volgt dat een justitiabele inzake een Gemeenschapsmodel niet alleen de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel van de lidstaat kan verzoeken om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen, maar ook elke rechterlijke instantie van deze lidstaat die bevoegd is dergelijke maatregelen te nemen voor nationale modellen. Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bevestigt het gebruik van de uitdrukking „met inbegrip van” dat het niet noodzakelijkerwijs hoeft te gaan om een gespecialiseerde rechterlijke instantie.

40      Een dergelijke uitlegging van dit artikel 90, lid 1, beantwoordt bovendien aan de door verordening nr. 6/2002 nagestreefde doelstellingen. De wetgever van de Unie heeft door de invoering van rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel binnen elke lidstaat inderdaad willen zorgen voor de specialisatie van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn op het gebied van Gemeenschapsmodellen, om, zoals in overweging 28 van deze verordening staat, bij te dragen aan een uniforme interpretatie van de voorwaarden waaraan Gemeenschapsmodellen moeten voldoen om rechtsgeldig te zijn.

42      Zo kan door het toekennen van de bevoegdheid tot vaststelling van dergelijke maatregelen aan iedere rechterlijke instantie van een lidstaat die bevoegd is tot vaststelling van soortgelijke maatregelen voor nationale modellen, snel en doeltreffend een einde worden gemaakt aan handelingen die inbreuk maken op de rechten van houders van een Gemeenschapsmodel.

44      Uit een en ander volgt dat artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat het bepaalt dat de rechtbanken van de lidstaten die bevoegd zijn voorlopige of beschermende maatregelen te bevelen voor een nationaal model, tevens bevoegd zijn dergelijke maatregelen te bevelen voor een Gemeenschapsmodel.

Prejudiciële vraag:

„Moet artikel 90, lid 1, [van verordening nr. 6/2002] aldus worden uitgelegd dat het een dwingende toekenning inhoudt aan alle daar genoemde rechterlijke instanties van een lidstaat, van de bevoegdheid om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen, of laat het de lidstaten – geheel of gedeeltelijk – vrij om de bevoegdheid dergelijke maatregelen te bevelen, bij uitsluiting op te dragen aan de rechterlijke instanties die overeenkomstig artikel 80, lid 1, [van die verordening] zijn aangewezen als rechtbanken (van eerste en tweede aanleg) voor het Gemeenschapsmodel?”