IEFBE 3312

HvJ EU: Biofa tegen Sikma

HvJ EU 14 oktober 2021, IEF 20299, IEFBE 3312; ECLI:EU:C:2021:843 (Biofa tegen Sikma) Het Oberlandesgericht Köln waarbij Biofa hoger beroep heeft ingesteld, heeft het Hof verzocht te verduidelijken of de goedkeuring van een werkzame stof bij een uitvoeringsverordening overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 528/2012 inhoudt dat de aangezochte rechter ervan moet uitgaan dat een product dat deze stof bevat een "biocide" in de zin van artikel 3, lid 1, onder a van deze verordening is, zonder dat deze aangezochte rechter kan vaststellen of er is voldaan aan de voorwaarden van deze bepaling. In zijn prejudiciële beslissing oordeelt het Hof dat een product dat als doel heeft schadelijke organismen te vernietigen, af te schrikken of onschadelijk te maken, en dat een werkzame stof bevat en door de Commissie is goedgekeurd niet louter op grond van die goedkeuring valt onder het begrip biocide. De bevoegde nationale rechter staat vrij om na te gaan of dit product voldoet aan alle gestelde voorwaarden om onder dit begrip te vallen. Indien de samenstelling van dat product identiek is aan die van het biocide moet deze rechter oordelen dat dit product onder het begrip biocide valt.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht: 

Artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 334/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder c), ervan, moet aldus worden uitgelegd dat een product dat als doel heeft schadelijke organismen te vernietigen, af te schrikken of onschadelijk te maken, en dat een werkzame stof bevat die bij een uitvoeringsverordening van de Commissie is goedgekeurd overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van die verordening, niet reeds louter op grond van die goedkeuring valt onder het begrip „biocide” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), eerste streepje, van die verordening, zodat het aan de bevoegde nationale rechter staat om na te gaan of dit product voldoet aan alle in laatstgenoemde bepaling gestelde voorwaarden om onder dit begrip te vallen. Indien de samenstelling van dat product evenwel identiek is aan die van het biocide dat bij de aanvraag tot goedkeuring van deze werkzame stof als representatief werd voorgesteld, moet deze rechter oordelen dat dit product onder dat begrip valt.