IEFBE 3062

HvJ EU: geen gebruik merken voor eigen commerciële communicatie

HvJ EU 2 april 2020, IEF 19119, IEFbe 3062; ECLI:EU:C:2020:267 (Coty tegen Amazon) Prejudiciële beslissing in het kader van een geding tussen Coty Germany GmbH enerzijds en Amazon Services Europe Sàrl, Amazon Europe Core Sàrl, Amazon FC Graben GmbH en Amazon EU Sàrl anderzijds betreffende de verkoop op een marktplaats van de website www.amazon.de, door een derde verkoper, zonder toestemming van Coty, van parfumflesjes waarvoor de aan het betrokken merk verbonden rechten niet zijn uitgeput.
Het betreft de uitlegging van artikel 9, lid 2, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het [Uniemerk] (PB 2009, L 78, blz. 1), in de versie van vóór de wijziging ervan bij verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 (PB 2015, L 341, blz. 21), en van artikel 9, lid 3, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1).

Het Hof van Justitie oordeelt anders dan de advocaat-generaal [IEF 19054] dat fulfilmentaanbieders geen gebruik maken van de merken ten behoeve van eigen commerciële communicatie en daardoor geen merkinbreuk maken. Er wordt een uitweg voor merkhouders gegeven: indien de fulfilmentaanbieder niet kan aantonen van wie de inbreukmakende producten zijn, kan zij wel aansprakelijk zijn.

47      In casu heeft de verwijzende rechter, zoals in punt 34 van het onderhavige arrest is opgemerkt, duidelijk aangegeven dat verweersters in het hoofdgeding de betrokken waren niet zelf te koop hebben aangeboden of in de handel hebben gebracht, en heeft hij verder in zijn prejudiciële vraag gepreciseerd dat alleen de derde voornemens is de waren aan te bieden of in de handel te brengen. Bijgevolg maken verweersters in het hoofdgeding niet zelf gebruik van het teken in het kader van hun eigen commerciële communicatie.

48      Deze slotsom laat evenwel de mogelijkheid onverlet te oordelen dat zij het teken wel zelf gebruiken voor parfumflesjes die zij niet voor rekening van derde verkopers maar voor eigen rekening in voorraad zouden hebben of die zij, omdat ze de derde verkoper niet kunnen aanduiden, zelf zouden aanbieden of in de handel brengen.


(...)

53      Gelet op het voorgaande dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 9, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009 en artikel 9, lid 3, onder b), van verordening 2017/1001 aldus moeten worden uitgelegd dat een persoon die voor een derde waren opslaat die inbreuk maken op een merkrecht, zonder van deze inbreuk op de hoogte te zijn, moet worden geacht deze waren niet in voorraad te hebben met het oogmerk deze aan te bieden of in de handel te brengen in de zin van deze bepalingen, wanneer hij niet zelf dit oogmerk heeft.