IEFBE 3314

HvJ EU: Pardo tegen CVVP

HvJ EU 14 oktober 2021, IEF 20315, IEFBE 3314; ECLI:EU:C:2021:849 (Pardo tegen CVVP) Dit verzoek tot een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding tussen José Pardo SL (hierna “Pardo”) en Club de Variedades vegetales Protegidas (hierna “CVVP”). Op 4 oktober 2004 heeft Nadorcott Protection een communautair kwekersrecht voor het mandarijnenbomenras "Nadorcott” gekregen. Pardo exploiteert sinds 2006 een boomgaard met mandarijnenbomen van het ras Nadorcott. In hoger beroep is geoordeeld dat de vorderingen met betrekking tot inbreuken die minder dan drie jaar vóór de instelling van beroepen van CVVP zijn verricht, niet verjaard zijn, terwijl de vorderingen over handelingen die meer dan drie jaar daarvoor zijn verricht dat wel zijn. Het Tribunal Supremo waar Pardo cassatie heeft ingesteld verzoekt het Hof nu een prejudiciële beslissing te nemen over wanneer de verjaringstermijn van artikel 96 van verordening (EG) nr. 2100/94 ingaat en de omvang van de verjaarde vorderingen. Het Hof oordeelt dat de verjaringstermijn ingaat op het tijdstip waarop enerzijds het communautaire kwekersrecht definitief is verleend en anderzijds de houder van het recht op communautaire bescherming kennis heeft gekregen van de handeling en van de identiteit van de overtreder. De in artikel 94 en 95 bedoelde vorderingen zijn verjaard over het geheel van inbreukmakende handelingen.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 96 van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht moet aldus worden uitgelegd dat de verjaringstermijn van drie jaar die in deze bepaling is vastgesteld voor de vorderingen waarin de artikelen 94 en 95 van deze verordening voorzien, ingaat op het tijdstip waarop enerzijds het communautaire kwekersrecht definitief is verleend en anderzijds de houder van het recht op communautaire bescherming kennis heeft gekregen van de handeling en van de identiteit van de overtreder, ongeacht de omstandigheid dat de inbreukmakende handeling betreffende een beschermd ras voortduurt en ongeacht het tijdstip waarop die handeling wordt beëindigd.

2)      Artikel 96 van verordening nr. 2100/94 moet aldus worden uitgelegd dat dat enkel die in de artikelen 94 en 95 van deze verordening bedoelde vorderingen verjaard zijn welke betrekking hebben op een geheel van inbreukmakende handelingen betreffende een beschermd ras en zijn ingesteld meer dan drie jaar nadat enerzijds het communautaire kwekersrecht uiteindelijk is verleend en anderzijds de houder kennis heeft gekregen van het bestaan van elke afzonderlijke handeling die deel uitmaakt van dit geheel van handelingen, alsook van de identiteit van de overtreder.