IEFBE 2980

Nieuw model van Porsche is niet nieuw

Gerecht 6 juni 2019, IEF 18789, IEFbe 2980; T-209/18 (Porsche tegen EUIPO) Het geschil is ontstaan naar aanleiding van het verzoek tot nietigverklaring van de inschrijving van het gemeenschapsmodel van Porsche bij het EUIPO. Volgens de indiener van dit verzoek, Autec, was het litigieuze model noch nieuw, noch had het een eigen karakter. Het litigieuze model zou zich niet merkbaar onderscheiden van andere modellen van het autotype 'Porsche 911'. Het EUIPO had het verzoek van Autec toegewezen en het model nietig verklaard. Volgens het EUIPO staat het bestaan van het model van de oudere serie van het autotype 'Porsche 911' reeds in de weg aan het eigen karakter van het model van de nieuwe serie van deze zelfde auto. Porsche tracht hiertegen in rechte op te treden op de grond dat de algemene indruk van het litigieuze model bij de geïnformeerde gebruiker van dit type auto verschilt van de indruk die wordt gewekt door het oudere model. De twee conflicterende modellen zouden zich door hun uiterlijke verschijningsvorm onderscheiden, waardoor het litigieuze model wel degelijk een eigen karakter zou hebben, aldus Porsche. In dit geval heeft het EUIPO objectief rekening gehouden met alle verschillen tussen de conflicterende modellen en kon het EUIPO tot de slotsom komen dat verschillen te zwak waren om de bij de geïnformeerde gebruiker algemene indruk aanmerkelijk te beïnvloeden. Deze indruk wordt ook volgens het Gerecht gevormd door de wezenlijke kenmerken van de modellen.

94     In die omstandigheden en omdat de kamer van beroep, zoals uit de punten 26 tot en met 28 van de bestreden beslissing volgt, anders dan verzoekster meent, objectief rekening heeft gehouden met alle verschillen tussen de conflicterende modellen, kon deze instantie, zonder een beoordelingsfout te maken in punt 29 van de bestreden beslissing tot de slotsom komen dat alle verschillen in de vele aanzichten van de conflicterende modellen elk apart of gezamenlijk te zwak waren om de bij de geïnformeerde gebruiker gewekte algemene indruk aanmerkelijk te beïnvloeden. Die indruk wordt namelijk bovenal gevormd door de wezenlijke kenmerken van deze modellen, te weten de vorm van de carrosserie, de deuren of de ramen.

95      In dit verband kan verzoekster zich ter betwisting van die vaststelling niet dienstig beroepen op gespecialiseerde artikelen uit de pers of de meningen van ontwerpjury’s, aangezien de algemene indruk dient te worden beoordeeld vanuit het gezichtspunt van de geïnformeerde gebruiker die, hoewel hij de verschillende modellen in de betreffende marktsector kent en beschikt over bepaalde kennis waardoor hij blijk geeft van een relatief hoog aandachtsniveau, geen technisch expert en evenmin een ontwerpspecialist is.

96      Daarom kan in het bijzonder de omstandigheid dat de jury van de „red dot award: product design 2012” heeft benadrukt dat de vorm van het litigieuze model „geheel nieuw” was of dat de „verhoudingen grotendeels waren aangepast” niet met succes worden aangevoerd ter betwisting van de door de kamer van beroep met betrekking tot de vereisten van artikel 6 van verordening nr. 6/2002 verrichte beoordeling van het eigen karakter van dit ontwerp. Interveniënte heeft overigens verwezen naar persartikels waarin de tegenovergestelde conclusie dan die van verzoekster wordt getrokken en die met name vermelden dat de voormalige voorzitter van de raad van bestuur van verzoekster zou hebben aangegeven dat deze laatste ernaar streefde „de altijd hetzelfde blijvende contouren [te verbeteren] door deze aan te passen aan de tijdgeest”