IEFBE 3161

Octrooi kan ook in aangepaste vorm niet in stand blijven

Rechtbank Den Haag 9 december 2020, IEF 19647; ECLI:NL:RBDHA:2020:12493 (Tinnus Enterprises en Zuru tegen Koopman International) Nietigheid. Tinnus is houder van het octrooi EP 948 getiteld “Apparatus, system and method for filling containers with fluids” en heeft voor de toepassing daarvan een licentie verstrekt aan Zuru, tevens partij in deze procedure. Tinnus stelt dat Koopman inbreuk maakt op EP 948 en dat voor zover het product van Koopman niet aan alle kenmerken van de conclusies zou beantwoorden, sprake is van equivalente inbreuk. Koopman vordert in reconventie vernietiging van het Nederlandse deel van het octrooi, omdat het niet nieuw is, niet inventief en subsidiair niet nawerkbaar is en heeft de inbreuk betwist.

De reconventionele vordering tot vernietiging van het Nederlandse deel van het octrooi wordt toegewezen. Ook de hulpverzoeken baten niet. De rechtbank oordeelt dat EP 948, ook in aangepaste vorm, niet in stand kan blijven wegens een gebrek aan inventiviteit. Daarbij is met name gekeken naar US 309 ‘System, method and apparatus for balloon and toy filler, kit, and stand’. De rechtbank gaat voorbij aan de voorlopige opinie van de oppositie divisie van het EOB, in de oppositieprocedure tegen EP 948. Omdat het octrooi nietig is, worden de inbreukvorderingen van Tinnus c.s. afgewezen. Tinnus en Zuru worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten op basis van de nieuwe indicatietarieven in octrooizaken tot een bedrag van 75.656 EUR. De zaak wordt gekwalificeerd als ‘normale zaak’ in de zin van die indicatietarieven.
 
Het incident tot zekerheidstelling voor proceskosten dat door Koopman is ingesteld tegen een van eisers, Zuru Inc gevestigd in Hongkong, wordt toegewezen tot een bedrag van 25.000 EUR. Zuru moet deze zekerheid stellen voor het geval wordt doorgeprocedeerd over de vraag of door Koopman inbreuk gemaakt zou worden op buitenlandse delen van EP 948 (r.o.4.47). Beoordeling daarvan is aangehouden totdat duidelijkheid is verkregen over de geldigheid van buitenlandse delen van het octrooi. Het door Koopman gevorderde wapperverbod wordt afgewezen. Volgens de rechtbank is onvoldoende duidelijk dat ten tijde van het versturen van de berichten “een serieuze, niet te verwaarlozen kans” bestond dat de door Tinnus c.s. ingeroepen model- en octrooirechten ongeldig waren. Dat nadien ook de modelrechten van Tinnus nietig zijn verklaard,  ECLI:EU:T:2020:543 [IEF 19589], maakt dit volgens de rechtbank niet anders.

4.46. Uit het voorgaande volgt dat EP 948 (NL) niet, ook niet in aangepaste vorm, in stand kan blijven. Daaruit volgt dat de in reconventie gevorderde nietigverklaring toewijsbaar is en dat de in conventie aan de vorderingen ten grondslag gelegde stelling dat Koopman octrooi-inbreuk heeft gepleegd, niet slaagt voor zover het het Nederlandse deel van EP 948 betreft.