IEFBE 3184

Prejudiciële vraag: advocaatkosten 'noodzakelijke uitgaven'?

Landgericht Saarbrücken 6 oktober 2020, IEF 19749, IT 3399, IEFbe 3184 C-559/20 (Media GmbH tegen FU) Via MinBuza. De kernvraag in deze zaak betreft de vergoeding van de advocatenkosten voor een aanmaning wegens filesharing. Verzoekster verkoopt computerspellen voor commerciële doeleinden en is houdster van de exclusieve rechten van een specifiek computerspel. Verweerder is een natuurlijke persoon die geen professionele of commerciële doeleinden nastreeft en die dit computerspel voor derden beschikbaar heeft gesteld voor download. Hiermee heeft hij inbreuk gepleegd op de rechten van verzoekster. Verzoekster schakelde een advocatenkantoor in dat namens verzoekster een aanmaning naar verweerder heeft gestuurd. Voor het inschakelen van het advocatenkantoor heeft verzoekster kosten gemaakt (€984,60) dat als volgt is samengesteld: een 1,3 honorarium berekend over een waarde van de vordering van €20.000,-. De hoogte van dit bedrag wordt betwist. De rechter in eerste aanleg heeft verweerder veroordeeld tot betaling van €124,- en de vordering voor het overige afgewezen. Volgens de rechter in eerste aanleg is het vergoedbare bedrag van een vordering beperkt tot €1.000,- op grond van §97a(3) UrhG (Duitse wet inzake het auteursrecht). Met haar beroep voor de verwijzende rechter wil verzoekster haar vordering tot volledige vergoeding van haar advocatenkosten alsnog geldend maken.

Prejudiciële vragen:

1. a) Moet artikel 14 van de handhavingsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat noodzakelijke advocatenkosten die voor een houder van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 2 van de handhavingsrichtlijn zijn ontstaan doordat hij buitengerechtelijk en middels een aanmaning een stakingsvordering heeft ingesteld tegen een inbreukmaker op deze rechten, als „gerechtskosten” of „andere kosten” onder die bepaling vallen?

b) Indien vraag 1. a) ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 13 van de handhavingsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat de in vraag 1.a) genoemde advocatenkosten in aanmerking komen voor „schadevergoeding” in de zin van die bepaling?

2. a) Moet het Unierecht, met name in het licht van

–          de artikelen 3, 13 en 14 van de handhavingsrichtlijn;

–          artikel 8 van de auteursrechtrichtlijn; en

–          artikel 7 van de computerprogrammarichtlijn aldus worden uitgelegd dat een houder van intellectuele-eigendomsrechten in de zin van artikel 2 van de handhavingsrichtlijn in beginsel recht heeft op volledige vergoeding van de in vraag 1.a) genoemde advocatenkosten, dan wel op vergoeding van een redelijk en substantieel deel daarvan, ook wanneer

–          de gestelde inbreuk is gepleegd door een natuurlijke persoon voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen, en

–          een nationale regeling in een dergelijk geval bepaalt dat deze advocatenkosten doorgaans slechts vergoedbaar zijn op grond van een verlaagde waarde van de vordering?

b) Indien vraag 2. a) bevestigend wordt beantwoord: moeten de in vraag 2. a) aangehaalde bepalingen van Unierecht aldus worden uitgelegd dat een uitzondering op het in vraag 2. a) genoemde beginsel, volgens hetwelk de houder van intellectuele-eigendomsrechten recht heeft op volledige vergoeding van de in vraag 1.a) genoemde advocatenkosten, dan wel op vergoeding van een redelijk en substantieel deel daarvan, met inachtneming van andere factoren (zoals bijvoorbeeld de recente aard van het werk, de duur van de publicatie en het feit dat de inbreuk is gepleegd door een natuurlijke persoon voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen), kan worden toegepast, zelfs wanneer de inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten in de zin van artikel 2 van de handhavingsrichtlijn bestaat in filesharing, dat wil zeggen de beschikbaarstelling van het werk aan het publiek door het te plaatsen op een vrij toegankelijk online uitwisselingsplatform zonder digital rights management waar alle leden het gratis kunnen downloaden?