IEFBE 2908
  • 11 jan 2019
  • Recorded Artists Actors Performers tegen Phonographic Performance

Prejudiciële vragen HvJ EU over interpretatie van de Verhuurrichtlijn

High Court (Ierland) 11 januari 2019, IEF 18561, IEFbe 2908; C-265/19 (Recorded Artists Actors Performers tegen Phonographic Performance) Via MinBuza. Licentievergoedingen muziek. Het betreft de inning en verdeling van de licentievergoedingen voor het ten gehore brengen van opgenomen muziek in het openbaar of het uitzenden van opgenomen muziek. Nationale wetgeving bepaalt dat de gebruiker één licentievergoeding betaalt aan een licentieverlenende instantie, maar dat het geïnde bedrag wordt verdeeld tussen de producent en de uitvoerende kunstenaars. Er is verschil van mening over de uitlegging en toepassing van een contractuele overeenkomst. Het Ierse recht hanteert voor producenten respectievelijk uitvoerende kunstenaars verschillende kwalificatiecriteria.

Er bestaat onduidelijkheid over in welke omvang gebruik kan worden gemaakt van het WPPT en het Verdrag van Rome om de richtlijn uit te leggen. Daarnaast wordt gevraagd of het verenigbaar is met het Unierecht om bepaalde uitvoerende kunstenaars uit te sluiten van een billijke vergoeding wanneer de producent van de betrokken geluidsopname wel wordt betaald. Ten slotte wordt gevraagd of de Ierse reactie op een voorbehoud bij het WPPT gerechtvaardigd is.

Prejudiciële vragen:

1. Is de verplichting van een nationale rechter om richtlijn 2006/115 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom uit te leggen in het licht van het doel van het Verdrag van Rome en/of het WPPT beperkt tot begrippen waarnaar in die richtlijn uitdrukkelijk wordt verwezen of strekt zij zich tevens uit tot begrippen die alleen in de twee internationale overeenkomsten te vinden zijn? In hoeverre moet, in het bijzonder, artikel 8 van richtlijn 2006/115 worden uitgelegd in het licht van het vereiste van „nationale behandeling” krachtens artikel 4 WPPT?

2. Heeft een lidstaat discretionaire bevoegdheid tot vaststelling van criteria om te bepalen welke uitvoerende kunstenaars als „betrokken uitvoerende kunstenaars” in de zin van artikel 8 van richtlijn 2006/115 kunnen worden beschouwd? Kan, in het bijzonder, een lidstaat het recht op een aandeel in een billijke vergoeding beperken tot omstandigheden waarin ofwel i) de uitvoering plaatsvindt in een land van de Europese Economische Ruimte, ofwel ii) de uitvoerende kunstenaars wonen of verblijven in een land van de Europese Economische Ruimte?

3. Welke beoordelingsmarge heeft een lidstaat bij zijn reactie op een voorbehoud dat door een andere verdragsluitende partij is gemaakt krachtens artikel 15, lid 3, WPPT? Geldt voor de lidstaat met name de eis om de voorwaarden van het door de andere verdragsluitende partij gemaakte voorbehoud nauwkeurig te weerspiegelen? Is een verdragsluitende partij verplicht om de dertigdagenregel van artikel 5 van het Verdrag van Rome buiten toepassing te laten wanneer die regel ertoe kan leiden dat wel een producent van de voorbehoud makende partij een vergoeding krachtens artikel 15, lid 1, ontvangt maar niet de kunstenaars die dezelfde opname uitvoeren? Is, subsidiair, de reagerende partij gerechtigd de onderdanen van de voorbehoud makende partij gunstiger rechten te verlenen dan de voorbehoud makende partij heeft gedaan, dat wil zeggen kan de reagerende partij rechten verlenen die niet op gelijke wijze door de voorbehoud makende partij worden verleend?

4. Is het onder alle omstandigheden toegestaan om het recht op een billijke vergoeding te beperken tot de producenten van een geluidsopname, dat wil zeggen om dit recht te ontzeggen aan de uitvoerende kunstenaars van wie de uitvoeringen in die geluidsopname zijn vastgelegd?