IEFBE 3367

Prejudiciële vragen over ontslagen functionaris gegevensbescherming

Bundesarbeitsgericht (Duitsland) 2 december 2021, IT 3788, IEFbe 3367; C-560/21 (KISA) via MinBuza. Verzoeker is in dienst van verweerder als applicatie-adviseur. Verweerder heeft verzoeker benoemd tot functionaris voor gegevensbescherming, maar ongeveer twee weken later weer ontslagen in deze functie, omdat deze in strijd zou zijn met zijn beroepsactiviteiten als applicatie-adviseur. Verweerder stelt dat met het verwerken van financiële gegevens van burgers een belangenconflict ontstond met de taken van een functionaris voor gegevensbescherming. De nationale rechter is er niet zeker van of de AVG regelingen van lidstaten toestaat die aan het ontslag van een functionaris voor gegevensbescherming strengere voorwaarden stellen dan het Unierecht.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 38, lid 3, tweede volzin, van verordening (EU) 2016/679 (algemene verordening gegevensbescherming; hierna: „AVG”) aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht, zoals in casu § 6, lid 4, eerste volzin, van het Bundesdatenschutzgesetz (federale wet inzake gegevensbescherming), die het ontslag van de functionaris voor gegevensbescherming door de verwerkingsverantwoordelijke, die zijn werkgever is, afhankelijk stelt van de daarin gestelde voorwaarden, ongeacht of dit ontslag verband houdt met de uitvoering door de functionaris van zijn taken?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2. Berust artikel 38, lid 3, tweede volzin, AVG op een toereikende rechtsgrondslag, met name voor zover die bepaling betrekking heeft op functionarissen voor gegevensbescherming die een arbeidsverhouding hebben met de verwerkingsverantwoordelijke?