IEFBE 3366

Prejudiciële vragen over verstrekken van persoonsgegevens

Bundesverwaltungsgericht (Oostenrijk) 3 december 2021, IT 3786, IEFbe 3366; C-487/21 (Osterreichische Datenschutzbehorde et CRIF) via MinBuza. Verzoeker verzocht een kredietinformatiebureau op grond van artikel 15 AVG om inzage in persoonsgegevens en om toezending van een kopie van de ten aanzien van zijn persoon verwerkte gegevens in een gebruikelijk technisch formaat. Het kredietinformatiebureau verstrekte de gevraagde inlichtingen gedeeltelijk in geaggregeerde vorm, waarbij de ten aanzien van de persoon van verzoeker opgeslagen gegevens werden weergegeven in een op naam, geboortedatum, straat, postcode en plaats gerangschikte tabel en voorts in een overzicht over ondernemingsfuncties en vertegenwoordigingsbevoegdheden.

Andere bescheiden, zoals e-mails of databank-uitdraaien, werden niet verstrekt. Verzoeker heeft vervolgens een klacht ingediend bij de autoriteit voor gegevensbescherming waarbij is aangevoerd dat hem geen kopie van de gegevens was verstrekt. De toezichthouder betoogt dat verzoeker geen recht heeft op een kopie in de vorm van een facsimile. De door de verwijzende rechter concreet te beoordelen vraag is, of de verstrekking van de persoonsgegevens van verzoeker in de vorm van een tabel en een overzicht in de informatiebrief van het kredietinformatiebureau beantwoordde aan het recht om een kopie te verkrijgen als bedoeld in artikel 15, lid 3, AVG, dan wel of verzoeker recht heeft op de verstrekking van een kopie van zijn persoonsgegevens die door het kredietinformatiebureau worden verwerkt, in de vorm van kopieën of uittreksels van eventuele correspondentie en van de inhoud van databankbestanden en dergelijke.

Prejudiciële vragen:

1. Moet het begrip „kopie” in artikel 15, lid 3, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming, PB 2016, L 119, blz. 1; hierna: „AVG”) aldus worden uitgelegd dat daarmee een fotokopie, een facsimile of een elektronische kopie van een (elektronisch) gegeven wordt bedoeld, of valt daar, uitgaande van de omschrijving van dit begrip in Duitse, Franse en Engelse woordenboeken, ook een „Abschrift”, een „double” („duplicata”) of een „transcript” onder?

2. Moet artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG, waarin is bepaald dat „de verwerkingsverantwoordelijke [...] een kopie [verstrekt] van de persoonsgegevens die worden verwerkt”, aldus worden uitgelegd dat deze bepaling voorziet in een algemeen recht van een betrokkene op verstrekking van een kopie van – ook – volledige documenten waarin persoonsgegevens van de betrokkene zijn verwerkt, of, voor zover van toepassing, op verstrekking van een kopie van een uittreksel uit een databank waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt, of houdt die bepaling in dat de betrokkene – alleen – recht heeft op een getrouwe reproductie van de op grond van artikel 15, lid 1, AVG mede te delen persoonsgegevens?

3. Moet, indien de tweede vraag aldus wordt beantwoord dat de betrokkene slechts recht heeft op een getrouwe reproductie van de op grond van artikel 15, lid 1, AVG mede te delen persoonsgegevens, artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG aldus worden uitgelegd dat het, gelet op de aard van de verwerkte gegevens (bijvoorbeeld met betrekking tot de in overweging 63 AVG genoemde diagnosen, onderzoeksresultaten, beoordelingen, of ook bescheiden in verband met een toetsing in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 20 december 2017, C-434/16, EU:C:2017:994) en het transparantiegebod van artikel 12, lid 1, AVG, in individuele gevallen niettemin noodzakelijk kan zijn om ook tekstpassages of hele documenten aan de betrokkene te verstrekken?

4. Moet het begrip „informatie” die volgens artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG „in een gangbare elektronische vorm” aan de betrokkene moet worden verstrekt, wanneer deze zijn verzoek elektronisch indient „en niet om een andere regeling verzoekt”, aldus worden uitgelegd dat daarmee enkel de in artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG bedoelde „persoonsgegevens die worden verwerkt” worden bedoeld?

a. Indien de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord, moet het begrip „informatie” die volgens artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG „in een gangbare elektronische vorm” aan de betrokkene moet worden verstrekt, wanneer deze zijn verzoek elektronisch indient „en niet om een andere regeling verzoekt”, dan aldus worden uitgelegd dat daarmee ook de informatie waarnaar wordt verwezen in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG wordt bedoeld? 

b. Indien ook de vierde vraag, onder a), ontkennend wordt beantwoord, moet het begrip „informatie” die volgens artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG, „in een gangbare elektronische vorm” aan de betrokkene moet worden verstrekt, wanneer deze zijn verzoek elektronisch indient „en niet om een andere regeling verzoekt”, dan aldus worden uitgelegd dat daarmee niet alleen „persoonsgegevens die worden verwerkt” en de informatie bedoeld in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG worden bedoeld, maar bijvoorbeeld ook bijbehorende metagegevens?