IEFBE 3053

Raoul Waterman: conclusie A-G over netneutraliteit en zero-rating

Op 4 maart 2020 is een conclusie gepubliceerd van Advocaat-Generaal (“AG”) Sánchez-Bordona van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ”) over netneutraliteit en zero-rating. De zaak die aan het HvJ is voorgelegd heeft betrekking op twee mobiele telefonie-abonnementen van de Hongaarse aanbieder van telecommunicatiediensten Telenor. Beide abonnementen hadden een datalimiet maar het gebruik van bepaalde applicaties telde niet mee voor het dataverbruik. Dit soort abonnementen worden “zero-rated” abonnementen genoemd. Daarnaast was voor beide abonnementen kenmerkend dat na het bereiken van de datalimiet de snelheid van het dataverkeer in grote mate vertraagd werd, behalve voor de zero-rated applicaties. De AG van het HvJ concludeert nu dat dit soort zero-rated abonnementen in strijd is met de Europese regels omtrent netneutraliteit.

Casus en prejudiciële vragen

Zoals hierboven uiteengezet, bood Telenor twee soorten zero-rated abonnementen aan. In het eerste geval ging het om het abonnement MyChat. Bij dat abonnement hoorde een datalimiet van 1 Gb dat voor alle internet-toepassingen gebruikt konden worden. Zodra die limiet bereikt was, werd de gehele internettoegang aanzienlijk trager. Het dataverkeer dat behoorde bij bepaalde social media en messaging applicaties telde echter niet mee voor het berekenen van verbruik voor de datalimiet. Daarnaast werd na het bereiken van de datalimiet de snelheid van al het dataverkeer vertraagd, behalve voor de zero-rated applicaties. Voor het MyMusic abonnement gold grotendeels hetzelfde behalve dat de datalimiet daar varieerde.

De Hongaarse nationale media-autoriteit had met betrekking tot beide abonnementen besluiten genomen dat deze abonnementen in strijd zouden zijn met de Europese netneutraliteitsregels. Nadat Telenor beroep in had gesteld heeft de Hongaarse rechter vier prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ. Deze vragen zijn door het HvJ samengevat tot twee hoofdvragen:

1. Aan welk lid (2 of 3) van artikel 3 van Verordening (EU) 2015/2120 moeten de pakketten worden getoetst (eerste en tweede prejudiciële vraag)?

2. Indien artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) 2015/2120 van toepassing is, legt die bepaling dan een algemeen, objectief en onvoorwaardelijk verbod op (derde prejudiciële vraag) en, zo ja, moet er dan nog een beoordeling van de omstandigheden worden verricht om vast te stellen of de rechten van de eindgebruikers zijn geschonden (tweede en vierde prejudiciële vraag)?

Raoul Waterman is associate en advocaat bij Bird & Bird. Lees zijn hele artikel op Birdbuzz.nl.