IEFBE 3205

Recht van voorrang onterecht geweigerd

Gerecht EU 14 april 2021, IEF 19903, IEFbe 3205; ECLI:EU:T:2021:186 (The Kaikai Company tegen EUIPO) The Kaikai Company heeft op 24 oktober 2018 een meervoudige aanvraag tot inschrijving van twaalf gemeenschapsmodellen ingediend bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO). Zij heeft voor al deze modellen aanspraak gemaakt op voorrang op grond van internationale octrooiaanvraag PCT/EP2017/077469, die op 26 oktober 2017 bij het Europees Octrooibureau (EOB) was ingediend. Op 31 oktober 2018 heeft het EUIPO The Kaikai Company ervan op de hoogte gebracht dat de meervoudige aanvraag in haar geheel was aanvaard, maar dat het geclaimde recht van voorrang voor alle modellen werd geweigerd, aangezien de eerdere aanvraag meer dan zes maanden vóór de meervoudige aanvraag was ingediend. The Kaikai Company is het hier niet mee eens en verzoekt het Gerecht tot vernietiging van deze beslissing. Deze oordeelt dat de voorrangstermijn niet goed is toegepast door het EUIPO en wijst de vordering van The Kaikai Company toe.

77. Uit de logica achter het systeem van voorrang vloeit voort dat het in de regel de aard van het oudere recht is die de duur van de voorrangstermijn bepaalt. Dienaangaande zij opgemerkt dat de reden waarom de voorrangstermijn voor octrooien en gebruiksmodellen overeenkomstig artikel 4, punt C, lid 1, van het Verdrag van Parijs langer is dan die voor tekeningen of modellen en merken, voortvloeit uit de complexere aard van octrooien en gebruiksmodellen. Aangezien de voorrangstermijn volgens artikel 4, punt C, lid 2, van het Verdrag van Parijs begint te lopen vanaf de indiening van de eerste aanvraag en de inschrijvingsprocedure voor octrooien of gebruiksmodellen langer is dan die voor tekeningen of modellen of voor merken, zou het recht van voorrang dat voortvloeit uit de indiening van een aanvraag voor een octrooi of een gebruiksmodel immers kunnen verlopen indien dezelfde, relatief korte, termijn van zes maanden werd toegepast op alle rechten die een recht van voorrang kunnen doen ontstaan. Het voordeel dat het recht van voorrang wordt geacht te verschaffen, is dat het de aanvrager in staat stelt om zijn kansen te evalueren om voor de betrokken uitvinding bescherming te verkrijgen op basis van de octrooiaanvraag die hij eerder in een staat indiende, alvorens hij met een latere aanvraag eventueel probeert bescherming te krijgen in een andere staat en daarvoor de nodige stappen en voorbereidingen onderneemt en de daarmee gepaard gaande kosten en formaliteiten op zich neemt. Dienaangaande heeft het Gerecht er met betrekking tot merken al op gewezen dat de opstellers van het Verdrag van Parijs begunstigden van het recht van een van de bij dit verdrag aangesloten landen in staat wilden stellen om – gegeven de onmogelijkheid om een merk in al deze landen gelijktijdig te deponeren – achtereenvolgens in deze landen om inschrijving ervan te verzoeken. Aldus krijgt de in een van deze landen verleende bescherming een internationale dimensie, zonder dat het aantal te vervullen formaliteiten toeneemt (arrest van 15 november 2001, TELEYE, T‑128/99, EU:T:2001:266, punt 38).

78. Bovendien blijkt het coherent dat de aard van het oudere recht de duur van de voorrangstermijn bepaalt, aangezien het, zoals het Gerecht in de context van het merkenrecht heeft vastgesteld (arrest van 15 november 2001, TELEYE, T‑128/99, EU:T:2001:266, punt 42), de aanvraag tot inschrijving van dit oudere recht is die het recht van voorrang doet ontstaan. Bovendien begint de voorrangstermijn te lopen vanaf de datum van indiening van deze aanvraag. Als het ontstaan zelf van het recht van voorrang en het begin van de termijn van dit recht afhangen van het oudere recht en van de aanvraag tot inschrijving ervan, is het logisch dat ook de duur van het recht van voorrang van het oudere recht afhangt. Daarentegen is er geen enkel element op basis waarvan kan worden verondersteld dat de duur van het recht van voorrang in de regel zou afhangen van het jongere recht.