IEFBE 3369

Vallen kredietscores onder geautomatiseerde verwerking?

Verwaltungsgericht Wiesbaden (Duitsland) 23 november 2021, IT 3789, IEFbe 3369; C-634/21 (SCHUFA Holding) via MinBuza De in het geding geroepen partij SCHUFA Holding, heeft een kredietscore berekend voor verzoekster. Dit was negatieve informatie en verzoekster eiste daarom om verwijdering van volgens haar onjuiste vermeldingen en inzage in opgeslagen gegevens. De in het geding geroepen partij heeft hierbij niet toegelicht welke afzonderlijke stukken informatie in de berekening worden opgenomen en hoe deze worden gewogen. Verzoekster heeft een klacht hiertegen ingediend bij verweerder, maar deze heeft geen verdere stappen ondernomen. Dit met de motivering dat de in het geding geroepen partij wel moet voldoen aan de vereisten die zijn geregeld in het Unierecht en in nationale regelgeving, maar dat daaraan wordt voldaan in onderhavig geval.

In het onderhavige geval hangt de beslechting van het geding af van het antwoord op de vraag of de activiteit van kredietinformatiebureaus binnen de werkingssfeer van artikel 22, lid 1, AVG valt. Gelet op de bewoordingen van artikel 22, lid 1, AVG is de verwijzende rechter zich ervan bewust dat deze bepaling bij een restrictieve uitlegging aldus kan worden opgevat, en ook over het algemeen zo wordt opgevat, dat zij niet rechtstreeks van toepassing is op de activiteit van kredietinformatiebureaus zoals de in het geding geroepen partij. De verwijzende rechter heeft echter grote twijfels over een dergelijke restrictieve uitlegging.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 22, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (PB 2016, L 119, blz. 1; hierna: „AVG”) aldus worden uitgelegd dat de geautomatiseerde vaststelling van een waarschijnlijkheidswaarde voor het vermogen van een persoon om in de toekomst een lening af te lossen, reeds een besluit vormt dat uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, waaronder profilering, is gebaseerd en waaraan voor de betrokkene rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem anderszins in aanmerkelijke mate treft, wanneer die waarde, die met behulp van persoonsgegevens van de betrokkene is vastgesteld, door de verwerkingsverantwoordelijke aan een verwerkingsverantwoordelijke derde wordt doorgegeven en die derde zijn besluit over de totstandbrenging, de uitvoering of de beëindiging van een contractuele relatie met de betrokkene hoofdzakelijk op die waarde baseert?

2. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord: Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 22 AVG aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een waarschijnlijkheidswaarde – in casu betreffende de solvabiliteit en betalingsbereidheid van een natuurlijke persoon, met inaanmerkingneming van informatie over vorderingen – voor een bepaalde toekomstige gedraging van een natuurlijke persoon slechts met het oog op het besluit over de totstandbrenging, uitvoering of beëindiging van een contractuele relatie met die persoon (zogenoemde scoring) mag worden gebruikt, indien is voldaan aan bepaalde nadere voorwaarden die in de motivering van de verwijzingsbeslissing nader zijn uiteengezet?