IEFBE 1954
  • Brussel - Bruxelles
    7 sep 2016
  • Telenet tegen Belgische Mededingingsautoriteit; Veldritorganisatoren

Voorlopige BMa-maatregelen inzake exclusieve TV-zendrechten Superprestige veldritten bevestigd

hansgrohe superprestige veldritten

Hof van beroep Brussel 7 september 2016, IEFbe 1955 (Telenet tegen Belgische Mededingingsautoriteit; Veldritorganisatoren) Mededinging. Uitzendrechten. Exclusiviteit. Telenet verzoekt het hof om de beslissing met voorlopige maatregelen te vernietigen. De beslissing omvat de exclusiviteitsclausule betreffende de zendrechten voor de Hansgrohe Superprestige veldritten te schorsen bij toepassing van artikel IV. 64 par 1 WER. Veldritorganisatoren dient binnen een maand te informeren of de exclusiviteit wordt geschorst of dat er een biedprocedure wordt georganiseerd. Beroepen zijn ongegrond. Beroep is opgedeeld in negen middelen:

Eerste middel (p.17): schending van art. IV.64, §1 WER, van art. 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten van de EU, van de motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel bij de beoordeling van het bestaan van een prima facie inbreuk.

Tweede middel (p.24): idem, bij gebrek aan feitelijk juiste, pertinente en geloofwaardige gegevens die de analyse van het College kunnen onderbouwen

Derde middel (p.28): schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de motiveringsplicht en foutieve afbakening van de relevante markt

Vierde middel (p.35): schending van art. IV.2 WER, van art. 102 VWEU, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de motiveringsplicht

Vijfde middel (p.40): schending van IV.1. WER en/of art. 101 VWEU, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de motiveringsplicht

Zesde middel (p.45): schending van art. IV.64 WER, van de rechten van de verdediging, (...) en manifeste beoordelingsfout bij de vaststelling van het nadeel dat beweerdelijk wordt geleden door PROXIMUS en van het moeilijk te herstellen karakter van dit nadeel

Zevende middel (p. 51): schending van de rechten van verdediging en van het verbod om ultra petita te oordelen.

Achtste middel (p.54): schending van art. IV.64 WER en in bijzonder van de onmiddellijkheids- urgentievereisten

Negende middel (p.57): schending van art. IV.64 WER en van het proportionaliteitsbeginsel doordat de reikwijdte van de voorlopige maatregelen verder gaat dan wat noodzakelijk is voor het vermijden van het nadeel en daarmee bovendien de rechten van derden aantast