IEFBE 3058

Voorwaarden HvJ EU aan cameratoezicht

HvJ EU 11 december 2019, IT 3083, IEFbe 3058; ECLI:EU:C:2019:1064 (Asociatia de Proprietari) TK, eiser in de zaak, woont in een appartement, waarvan hij eigenaar is, in gebouw M5A. Op verzoek van bepaalde mede-eigenaren van dat gebouw heeft de vereniging van eigenaren tijdens een algemene vergadering op 7 april 2016 besloten om bewakingscamera’s in het gebouw te installeren. Ter uitvoering van dit besluit zijn er drie bewakingscamera’s geïnstalleerd in de gemeenschappelijke ruimten van gebouw M5A. TK heeft zich tegen de installatie van dit videobewakingssysteem verzet, omdat dit een schending van het recht op eerbiediging van het privéleven zou vormen. De verwijzende rechter verzoekt naar aanleiding hiervan om een prejudiciële beslissing wat betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, onder e), en artikel 7, onder f), van richtlijn 95/46/EG en artikelen 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).

Er wordt geoordeeld dat de genoemde Europese bepalingen zo moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen die toestaan dat er zonder toestemming van de betrokkenen een videobewakingssysteem wordt opgezet, zoals het systeem in het hoofdgeding. De camera’s zijn geïnstalleerd in de gemeenschappelijke ruimten van een voor bewoning bestemd gebouw, om gerechtvaardigde belangen na te streven die erin bestaan de veiligheid en de bescherming van personen en goederen te waarborgen. Dit alles op voorwaarde dat de verwerking van persoonsgegevens door middel van het betrokken videobewakingssysteem voldoet aan de voorwaarden van dat artikel 7, onder f), hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

60      Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, onder c), en artikel 7, onder f), van richtlijn 95/46, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen die toestaan dat er zonder toestemming van de betrokkenen een videobewakingssysteem wordt opgezet, zoals het systeem in het hoofdgeding dat is geïnstalleerd in de gemeenschappelijke ruimten van een voor bewoning bestemd gebouw, om gerechtvaardigde belangen na te streven die erin bestaan de veiligheid en de bescherming van personen en goederen te waarborgen, mits de verwerking van persoonsgegevens door middel van het betrokken videobewakingssysteem voldoet aan de voorwaarden van dat artikel 7, onder f), hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.