IEFBE 1940

Vraag aan HvJ EU: Is opwerpen van onbevoegdheidsexceptie van aangezochte nationale rechter, maar ondergeschikt aan andere prejudiciële procedure-excepties, aanvaarding rechtsmacht?

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 5 april 2016, IEF 16280; IEFbe 1940; C-433/16 (BMW tegen Acacia) Procesrecht. Rechtsmacht. Acacia heeft verzoekster gedagvaard (Rb Napels) ter verkrijging van een uitspraak tot vaststelling van niet-inbreuk op gemeenschapsmodellen van allooivelgen voor autobanden, in eigendom of onder octrooi van verzoekster. Zij vordert dat vragen aan het HvJEU worden gesteld voor wat betreft de bevoegdheid van de ITA rechter. Verzoekster heeft (onder meer) de onbevoegdheid van de ITA rechter als exceptie opgeworpen, zich baserend op zowel Vo. 44/2001 als Vo. 6/2002, die beide de DUI rechtbanken als bevoegd aanwijzen. Voor wat betreft het verwijt van misbruik van machtspositie stelt zij dat ‘de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ niet dezelfde is en niet dezelfde kan zijn als die waar de uiteindelijke economische schade aan het vermogen van de beweerde schadelijder zich heeft voorgedaan, aangezien aldus het forum van artikel 5, lid 3, van de Vo. Brussel I zou samenvallen met het forum actoris, hetgeen in strijd is met het algemeen criterium van de woonplaats van verweerder. Zij wijst op het feit dat verweerster geen enkele vordering tot schadevergoeding tegen haar heeft ingediend zodat de plaats van de schade zich niet in ITA kan bevinden. Zie ook de andere twee recente Acacia-zaken C-397/16 [IEF 16224] en –zijdelings- C-435/16 [IEF 16281].

(1) Kan volgens artikel 24 van verordening nr. 44/2001 het vooraf opwerpen van de exceptie van onbevoegdheid van de aangezochte nationale rechter, maar ondergeschikt aan andere prejudiciële procedure-excepties, voordat wordt ingegaan op de grond van de zaak, worden uitgelegd als een aanvaarding van de rechtsbevoegdheid?

(2) Moet het feit dat in artikel 82, lid 4, van verordening nr. 6/2002 voor gedingen inzake de vaststelling van niet-inbreuk niet wordt voorzien in de bevoegdheid van andere rechterlijke instanties dan de rechterlijke instantie van de gedaagde zoals bepaald in artikel 82, lid 1, aldus worden uitgelegd dat dit de toekenning van een exclusieve bevoegdheid voor die gedingen impliceert?

(3) Moet, teneinde de vraag in punt 65 te beantwoorden, bovendien rekening worden gehouden met de uitlegging van de regels inzake exclusieve bevoegdheid van verordening nr. 44/2001, in het bijzonder van artikel 22 – dat voorziet in de gevallen waarvoor exclusieve bevoegdheid bestaat, onder andere voor de registratie en de geldigheid van octrooien, merken en tekeningen, maar niet voor gedingen inzake de vaststelling van niet-inbreuk – en artikel 24 – dat voorziet in de mogelijkheid van aanvaarding door de verweerder van de bevoegdheid van een ander gerecht, buiten de gevallen waarin de bevoegdheid van het gerecht voortvloeit uit andere bepalingen van de verordening, waardoor het door de eiser aangezochte gerecht bevoegd wordt?

(4) Is het standpunt dat is ingenomen in het arrest van het Hof van 25 oktober 2012 in zaak C-133/11 betreffende de toepasbaarheid van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 44/2001 algemeen geldend en absoluut en is het van toepassing op elke rechtsvordering tot vaststelling van niet-aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad, met inbegrip van de rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk op gemeenschapsmodellen, en is in casu derhalve de rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 81 van verordening nr. 6/2002 dan wel die bedoeld in artikel 5, lid 3, nr. 44/2001 bevoegd, of staat het aan de eiser voor de ene of de andere van deze rechterlijke instanties te kiezen?

(5) Kunnen, overeenkomstig een extensieve uitlegging van artikel 28, lid 3, van verordening nr. 44/2001, vorderingen betreffende misbruik van machtspositie en oneerlijke mededinging, wanneer zij worden ingesteld in het kader van een geding inzake gemeenschapsmodellen, waarmee zij samenhangen, voor zover de toewijzing ervan de voorafgaande toewijzing van de vordering tot vaststelling van niet-inbreuk veronderstelt, samen met deze laatste vordering voor dezelfde rechter worden behandeld?

(6) Betreffen de twee vorderingen waarvan sprake is in punt 68, een onrechtmatige daad en, zo ja, kunnen zij, inzake de rechterlijke bevoegdheid, gevolgen hebben voor de toepasselijkheid op de onderhavige zaak van vordering nr. 44/2001 (artikel 5, lid 3) of verordening nr. [6/2002]?