IEFBE 2166

Geen noodzaak voor gebruik familienaam MEERING in dezelfde lay-out in groot formaat

meering

Rechtbank Den Haag 10 mei 2017, IEF 16780; IEFbe 2166; ECLI:NL:RBDHA:2017:4772 (Meering tegen CCC) Benelux-merkenrecht. MTA en CCC drijven ondernemingen in touringcardiensten. In 1975 is MTA opgericht, zij is houdster van Benelux-woordmerk MEERING en houdt domeinnamen. Ze gebruikt op de achterzijde de aanduiding Almere-Tours met daaronder J.Meeting en heeft domeinnamen meering.amsterdam en meeringtouringcars.amsterdam geregistreerd. Het gebruik van deze aanduiding is niet in overeenstemming is met de eerlijke gebruiken in handel en nijverheid. Niet is gebleken dat er een noodzaak is de familienaam te vermelden, laat staan dat die noodzaak zo ver zou gaan de aanduiding in dezelfde lay-out en in eenzelfde groot formaat te moeten gebruiken. In 1996 is, na overname van touringcarsbedrijf van Amersfoort Bloeit, door CCC geen gebruik gemaakt van de aanduiding zodat er ex artikel 2.23 lid 2 BVIE geen ouder recht van plaatselijke betekenis is. CCC moet inbreuk op Benelux-merk MEERING ex 2.20 lid 1 sub a BVIE, de handelsnaaminbreuk met Meering Touringcars Amsterdam staken en beveelt overdracht van de .amsterdam-domeinnamen.

Artikel 2.23 lid 1 sub a – gebruik van de naam Meering
4.5. De rechtbank overweegt dat MTA terecht betwist dat het gebruik van de aanduiding Meering door [CCC c.s.] op haar touringcars in overeenstemming is met de eerlijke gebruiken in handel en nijverheid. [CCC c.s.] gebruikt de aanduiding op touringcars op een manier die (veel) verder gaat dan nodig is om de handelsnaam of de familienaam van de vennoten van CCC aan te duiden. Zij gebruikt de aanduiding tevens als onderscheidingsteken. Niet is gebleken dat er een noodzaak zou zijn de familienaam überhaupt op de touringcars te vermelden, laat staan dat die noodzaak zo ver zou gaan de aanduiding Meering in dezelfde lay-out en in een groot formaat (ongeveer even groot als “Almere-Tours”) te moeten gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank wordt door dit gebruik bij het publiek de indruk gewekt dat het gaat om (een onderdeel van) het bedrijf van MTA, althans dat tussen de ondernemingen van partijen een economische band bestaat. Dat dit ook daadwerkelijk gebeurt, blijkt onder meer naar de door [CCC c.s.] niet bestreden gevallen van verwarring waar MTA naar verwijst, waarbij het gaat over klachten over het rijgedrag van chauffeurs van [CCC c.s.] , en facturen en telefoontjes bestemd voor [CCC c.s.] , die terecht komen bij MTA. Daarmee kan het eerste verweer van [CCC c.s.] niet slagen. In dat licht behoeft de vraag of [CCC c.s.] zich in casu op grond van het Anheuser-Busch arrest4 op haar handelsnaam kan beroepen in het licht van de nieuwe Merkenrichtlijn5, geen beantwoording.

artikel 2.23 lid 2 BVIE – ouder recht van plaatselijke betekenis
4.11. Nu in geen van de door [CCC c.s.] overgelegde documenten een aanwijzing is te vinden dat [CCC c.s.] in de periode tussen 1996 en 2008 de aanduiding Meering heeft gebruikt anders dan op oldtimerbussen, gaat de rechtbank aan het bewijsaanbod van [CCC c.s.] ter zake voorbij. De rechtbank gaat er dus van uit dat het gebruik door de rechtsvoorganger van [CCC c.s.] van de aanduiding (J.)Meering op moderne touringcars in 1996 is gestaakt, en [CCC c.s.] tussen in elk geval 1996 en 2008 deze aanduiding niet meer heeft gebruikt anders dan op de in rov. 2.8 afgebeelde wijze. MTA betwist dat door dat gebruik een handelsnaamrecht is ontstaan nu het slechts een versiering betreft, althans het verhuren van oldtimerbussen een andere aard van onderneming betreft dan regulier touringcarverhuur.

4.13. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [CCC c.s.] ten aanzien van het oudere recht van plaatselijke betekenis onvoldoende heeft gesteld, en zich daarop bij wijze van verweer niet kan beroepen.

artikel 2.24 BVIE - rechtsverwerking
4.16. Als eerder geoordeeld, is het gebruik van de aanduiding Meering op gewone touringcars gestaakt per 1996, zodat het gedogen daarvan voor een merk dat in 2008 is gedeponeerd niet ter zake is. Wat betreft de gelegenheidsverhuur van oldtimerbussen (vergelijk rov. 2.8) is de rechtbank van oordeel dat deze activiteit in de praktijk niet concurreert met de exploitatie van gewone touringcars, zoals MTA heeft gesteld en [CCC c.s.] onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. Het betreft dus in beginsel niet dezelfde diensten. Dat beide activiteiten wellicht onder dezelfde vergunning plaatsvinden voor ‘ongeregeld personenvervoer over de weg’, en de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten in de het KvK-register hetzelfde is, is voor de perceptie van het relevante publiek niet relevant. Een en ander brengt mee dat het gedogen door MTA van het gebruik van “Meering” op oldtimerbussen niet verhindert dat MTA thans haar rechten tegen het gebruik daarvoor voor reguliere touringcardiensten handhaaft.