IEFBE 2626

Wanprestaties van uitgeverij 'T Mannekesblad zijn voldoende om contract met striptekenaar Pom te ontbinden

Hof van Beroep Antwerpen 25 juni 2018, IEFbe 2626 (‘T Mannekesblad tegen Geïntimeerden) Geïntimeerden zijn de erfgenamen van wijlen striptekenaar “Pom”, auteur van onder meer de reeks “Piet Pienter en Bert Bibber”. Volgens uitgeverij ‘T Mannekesblad heeft Pom met haar in 2011 een uitgavecontract gesloten. In het contact werd een nulvergoeding afgesproken, omdat de auteur het plezier gegund werd om zich gepubliceerd te zien. De uitgeverij betaalde wel een bedrag van 500 euro aan de auteur. Bij het bestreden vonnis van 20 december 2016 wordt het uitgavecontract ontbonden. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. De contractuele wanprestaties van de 'T Mannekesblad zijn voldoende zwaarwichtig om de ontbinding van het contract in zijn geheel in het nadeel van de uitgeverij te rechtvaardigen. De vaststelling van de schadevergoeding vereist voorafgaandelijk deskundigenonderzoek. In afwachting van de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek bestaat geen aanleiding tot toekenning aan geïntimeerden van enige vergoeding.

4.2.11. De geïntimeerden laten terecht gelden dat de appellanten na ongeveer zes jaar slechts één derde van de stripalbums heeft uitgegeven waarvan de auteursrechten haar in eigendom werden overgedragen, terwijl ook nog andere werken dan stripalbums in de overdracht begrepen waren. Uit niets blijkt het tegendeel. Anders dan de eerste rechter, is dit hof met de geïntimeerden van ookdeel dat de appellante aldus de hierboven geciteerde wetsbepaling heeft miskend. Dat geldt alleen maar des te meer, omdat in artikel 7 van het uitgavecontract van 9 augustus 2011 wordt bedongen: “De overdacht gebeurt ‘om niet’, daar de auteur het plezier wordt gegund zich gepubliceerd te zien.” Dat de appellante van VZW is die geen winstgevend oogmerk nastreeft, doet daaraan geen afbreuk.

4.2.12. De voormelde vaststaande contractuele wanprestaties van de appellante zijn voldoende zwaarwichtig om, conform artikel 1184 BW, de ontbinding van het uitgavecontract van 9 augustus 2011 in zijn geheel in het nadeel van de appellante te rechtvaardigen. De inleidende dagvaarding van 4 november 2014 geldt als ingebrekestelling (vlg. Cass. 24 april 1980, Arr. Cass. 1979-1980, 1061). Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

4.2.20. Beantwoording van de vraag of hier binnen de in aanmerking te nemen periode (9 augustus 2011 – 20 december 2016) al dan niet aan de toepassingsvoorwaarden van die wetsbepaling is voldaan, vereist voorafgaandelijk deskundigenonderzoek. Daarbij zal de deskundige in acht nemen dat, krachtens de “preambule” van het uitgavecontract van 9 augustus 2011, aan de rechtsvoorganger van de geïntimeerden een bedrag van 500,00 EUR werd betaald, terwijl in artikel 7 onder “vergoeding van de auteur” werd bedongen dat de overdracht “om niet” (d.w.z. tegen nulvergoeding) geschiedde. In het raam van dat onderzoek zal de deskundige onder meer kennis kunnen nemen van de jaarlijkse overzichten bedoeld bij artikel XI.198, eerste lid WER, zodat de voorlegging daarvan thans niet moet worden bevolen. In afwachting van de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek bestaat vooralsnog geen aanleiding tot toekenning aan de geïntimeerden van enige vergoeding, ook niet provisioneel.