16 jul 2026,
A-G Szpunar: persuitgevers kunnen in twee hoedanigheden recht hebben op billijke compensatie
Conclusie AG HvJ EU 16 juli 2026, IEF 23700; IEFbe 4263; ECLI:EU:C:2026:607(AGECOP/VISAPRESS). De zaak betreft de Portugese regeling voor de billijke compensatie wegens reprografische reproducties en reproducties voor privégebruik van literaire en grafische werken. Volgens deze regeling wordt de geïnde compensatie gelijkelijk verdeeld tussen organisaties die auteurs vertegenwoordigen en organisaties van uitgevers. VISAPRESS, een organisatie die persuitgevers vertegenwoordigt, stelde daarnaast aanspraak te hebben op een gedeelte van het voor auteurs bestemde aandeel. Persuitgevers zijn naar Portugees recht namelijk niet alleen houders van naburige rechten op perspublicaties, maar ook van oorspronkelijke auteursrechten op bepaalde publicaties en van afgeleide auteursrechten op artikelen die zonder naamsvermelding zijn gepubliceerd. De Portugese hoogste rechter vraagt in wezen of artikel 5, lid 2, onder a en b, van Richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste alinea, van Richtlijn 2019/790, toestaat dat persuitgevers zowel in hun hoedanigheid van uitgever als in hun hoedanigheid van auteursrechthebbende aanspraak maken op billijke compensatie.
Volgens A-G Szpunar staat het Unierecht daaraan niet in de weg. Het begrip “rechthebbenden” in artikel 5, lid 2, onder a en b, van Richtlijn 2001/29 is volgens hem niet beperkt tot de oorspronkelijk rechthebbenden die in artikel 2 van die richtlijn worden genoemd. Daaronder kunnen ook rechtsopvolgers en personen vallen die het uitsluitende reproductierecht door overdracht of krachtens nationaal recht hebben verkregen, waaronder persuitgevers. Artikel 16 van Richtlijn 2019/790 biedt daarnaast een grondslag om uitgevers te laten delen in de compensatie wanneer een auteur een recht aan hen heeft overgedragen of in licentie heeft gegeven. Wanneer een uitgever zowel als houder van het reproductierecht als in zijn hoedanigheid van uitgever aanspraak heeft op compensatie, moet het totale bedrag de omvang van het daadwerkelijk door de privékopie of reprografische reproductie geleden nadeel weerspiegelen. De regeling van de collectieve vertegenwoordiging en de precieze verdeling van de bedragen blijft aan het nationale recht. De advocaat-generaal beoordeelt niet of de Portugese regeling die persuitgevers auteursrechten op bepaalde publicaties toekent, zelf verenigbaar is met het Unierecht.
Conclusie
53. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de Supremo Tribunal de Justiça te beantwoorden als volgt:
„Artikel 5, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste alinea, van richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van richtlijnen 96/9/EG en [2001/29],
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet in de weg staat aan een regeling van een lidstaat volgens welke persuitgevers, als houders van de auteursrechten op hun publicaties, recht hebben op een billijke compensatie voor de reproductie van die publicaties, ongeacht het feit dat zij ook recht hebben op die compensatie als uitgevers van die publicaties. Indien uitgevers zowel als houders van het reproductierecht als in de hoedanigheid van uitgevers van die werken aanspraak kunnen maken op een billijke compensatie, moet het totaalbedrag van die compensatie een afspiegeling zijn van de omvang van de schade die zij als gevolg van de reproductie voor privégebruik daadwerkelijk hebben geleden.”