IEFBE 3409

Advocaat is niet onafhankelijk

HvJ EU 24 maart 2022, IEF 20623, IEFbe 3409; ECLI:EU:C:2022:218 (PJ en PC tegen EUIPO) PJ was houder van het Uniewoordmerk Erdmann & Rossi. Nadat Erdmann & Rossi GmbH een vordering tot nietigverklaring had ingesteld, verklaarde het EUIPO het merk nietig. PJ heeft bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van deze beslissing ingesteld. Het inleidend verzoekschrift was ondertekend door een advocaat. PJ bleek medeoprichter en een van de twee vennoten van het advocatenkantoor dat hij had gemachtigd om hem te vertegenwoordigen via de advocaat, die voor rekening van dit kantoor optrad. Het Gerecht heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het inleidend verzoekschrift dus niet door een onafhankelijke advocaat was ondertekend.

Het hof benadrukt dat de gevallen van niet-ontvankelijkheid wegens een gebrek in de vertegenwoordiging moeten worden beperkt tot die waarin duidelijk blijkt dat de advocaat niet in staat is zijn verdedigende taak te vervullen door de belangen van zijn cliënt zo goed mogelijk te behartigen. Een overeenkomst tussen een advocaat en zijn cliënt volstaat niet om aan te nemen dat er een ongunstige invloed ontstaat op het vermogen van de advocaat om de belangen van zijn cliënt te verdedigen.

Hier is de cliënt een natuurlijke persoon die zelf medevennoot en oprichter van het advocatenkantoor is. Daardoor kan hij daadwerkelijk controle uitoefenen over de medewerker. Het hof oordeelt dat dit de onafhankelijkheid van de advocaat wel kan aantasten.

81. Terwijl de situatie waarin de cliënt een natuurlijke persoon of rechtspersoon is die een derde is ten opzichte van het advocatenkantoor waarin de betrokken medewerker zijn functie uitoefent, geen bijzonder onafhankelijkheidsprobleem voor hem oplevert, ligt dit namelijk anders voor de situatie waarin de cliënt, een natuurlijke persoon, zelf medevennoot en oprichter van het advocatenkantoor is en daardoor daadwerkelijk controle kan uitoefenen over de medewerker. In die laatste situatie moet worden aangenomen dat de banden tussen de advocaat-medewerker en de vennoot-cliënt van dien aard zijn dat zij de onafhankelijkheid van de advocaat kennelijk aantasten.