IEFBE 2681

Cees Mulder - Verwijzing naar de Grote Kamer over te laat beroep of betaling taks voor het beroep na twee maanden

Verwijzingsbeschikking President EOB naar Grote Kamer van Beroep 7 juni 2018, G-1/18. Octrooiprocesrecht. De President van het Europees Octrooibureau (EOB) heeft een rechtsvraag voorgelegd aan de Grote Kamer van beroep. Hij kan dit doen wanneer twee kamers van beroep over deze vraag uiteenlopende beslissingen hebben genomen (Artikel 112(1)(b) EOV). Het betreft de vraag (vertaald uit het Frans):

"Indien beroep wordt ingesteld en/of de taks voor het beroep wordt betaald na het verstrijken van de termijn van twee maanden volgens Artikel 108 EOV, is het beroep dan niet-ontvankelijk of wordt het geacht niet te zijn ingesteld, en moet de taks voor het beroep worden terugbetaald?"

Eerder hadden twee technische kamers van beroep vergelijkbare vragen voorgelegd aan de Grote Kamer van beroep, te weten in G 1/14 en G 2/14. Maar de Grote Kamer van beroep heeft deze vragen niet beantwoord, omdat in G 2/14 de octrooiaanvrage werd ingetrokken nadat het beroep was ingesteld (Publicatieblad van het EOB (2015) A13). In G 1/14 oordeelde de Grote Kamer dat de verwijzing niet toelaatbaar was (Publicatieblad van het EOB (2016) A95).

Het probleem dat ten grondslag ligt aan de verwijzing van de President van het EOB is de interpretatie van de bewoording van Artikel 108 EOV. De eerste twee zinnen luiden als volgt:

"Een beroep dient te worden ingesteld in overeenstemming met het Uitvoeringsreglement bij het Europees Octrooibureau binnen twee maanden na de datum waarop de beslissing is medegedeeld. Het beroep wordt eerst geacht te zijn ingesteld nadat de taks voor het beroep is betaald."

De gangbare interpretatie van de tweede zin is dat de taks voor het beroep betaald moet zijn binnen twee maanden na het instellen van het beroep. Als de taks niet op tijd of te laat betaald is, wordt het beroep geacht niet te zijn ingesteld (het beroep ontbeert rechtsgevolg). Als de taks pas na de tweemaands termijn is betaald, wordt de taks automatisch terugbetaald (betaling zonder rechtsgrond).

De technische kamer van beroep verantwoordelijk voor verwijzing G 1/14 vond dat late betaling van de taks het beroep niet ontvankelijk maakte en er derhalve geen recht ontstaat op terugbetaling van de taks.

Een mogelijke reden voor de interpretatieproblemen is dat het Europees Octrooibureau geen Richtlijnen heeft uitgegeven voor kamers van beroep. Deze Richtlijnen voor Onderzoek in het EOB zijn er alleen voor de afdelingen van eerste instantie. De reden hiervoor is dat de leden van de kamers van beroep zijn bij hun beslissingen aan geen enkele aanwijzing gebonden en uitsluitend de bepalingen van het Europees Octrooiverdrag in acht dienen te nemen (Artikel 23(3) EOV).

Voor het instellen van oppositie moet een bezwaarschrift worden ingediend binnen 9 maanden na verlening van het Europees octrooi (Artikel 99 EOV). Voor het betalen van de oppositie taks bevat Artikel 99 EOV een vergelijkbare zin als Artikel 108 EOV:

"De oppositie wordt eerst geacht te zijn ingesteld nadat de taks voor de oppositie is betaald."

De Richtlijnen voor Onderzoek in het EOB inzake oppositie zijn duidelijk over wanneer een oppositie rechtsgeldig is ingesteld en wanneer de oppositietaks moet worden terugbetaald (vertaling van Guidelines for Examination in the EPO, D-IV, 1.4.1):

"Indien de functionaris verantwoordelijk voor de formaliteiten vaststelt dat de in D-IV, 1.2.1 bedoelde tekortkomingen niet binnen de in het EOV of door het EOB vastgestelde termijnen zijn verholpen, zal hij de bezwaarmaker op de hoogte stellen in overeenstemming met Art. 119 dat de oppositie geacht wordt niet te zijn ingediend en dat een beslissing kan worden aangevraagd overeenkomstig regel 112, lid 2 van het Uitvoeringsreglement (Zie E-VIII, 1.9.3). Indien een dergelijke aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijn van twee maanden na kennisgeving van deze mededeling wordt ingediend en indien er geen andere geldige oppositie aanhangig is, wordt de procedure gesloten en de partijen daarvan in kennis gesteld. Betaalde taksen voor oppositie worden terugbetaald."

Het is niet goed uit te leggen dat de oppositietaks wel wordt terugbetaald als de oppositietaks te laat betaald is, terwijl de taks voor het instellen van beroep niet wordt terugbetaald als de taks is betaald na afloop van de bezwaartermijn. Dit is temeer verwonderlijk omdat de Grote Kamer van beroep in een verzoek om herziening van een beslissing van een kamer van beroep (R 4/15) besloot dat het verzoek geacht werd niet te zijn ingediend omdat de taks voor het verzoek om herziening te laat was betaald. In zaak R 4/15 besloot de Grote Kamer van beroep dat de betreffende taks terugbetaald moest worden. In Reden 12 van R 4/15 staat letterlijk geschreven:

"In the absence of a petition for review, there is no legal basis for paying the fee involved, which must therefore be reimbursed."

Dit lijkt de meeste logische handelwijze.

Artikelen 99, 108 en 112a EOV hanteren overeenkomstige formuleringen inzake de betaling van de taks:

Artikel 99(1) (2e zin) EOV: De oppositie wordt eerst geacht te zijn ingesteld nadat de taks voor de oppositie is betaald.
Artikel 105 (2e zin) EOV: Het beroep wordt eerst geacht te zijn ingesteld nadat de taks voor het beroep is betaald.

Artikel 112a(4) EOV: Het verzoek wordt geacht eerst te zijn ingediend nadat de voorgeschreven taks is betaald.

Derhalve zou er sprake moeten zijn van uniforme interpretatie door het Europees Octrooibureau.

Mocht de Grote Kamer van beroep van het Europees Octrooibureau besluiten dat te late betaling van de taks voor het beroep leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, en dus tot niet-terugbetaling van de bijbehorende taks, moet dit ook gaan gelden bij het instellen van oppositie als de oppositietaks te laat wordt betaald. In dat geval moet de hierboven aangehaalde tekst van de Richtlijnen voor Onderzoek in het EOB dienovereenkomstig worden aangepast. Bovendien moet de Grote Kamer van beroep dan beargumenteren waarom zij in R 4/15 tot een andere beslissing kwam.

Niet uit te sluiten is dat de Grote Kamer van beroep de verwijzing G 1/18 niet ontvankelijk verklaard omdat er eigenlijk geen conflicterende beslissingen zijn. Immers bij het voorleggen van een rechtsvraag door de President van het EOB is een van de vereisten dat twee kamers van beroep "uiteenlopende beslissingen" hebben genomen (Artikel 112(1)(b) EOV). Verder schrijft Artikel 112(1) EOV voor dat de rechtsvraag van "fundamenteel belang" moet zijn. Ook hierover kan de Grote Kamer anders oordelen dan de President.