IEFBE 3524

'Feta' op producten bestemd voor derde landen ook verboden

HvJ EU 14 juli 2022, IEF 20850, RB 3676, IEFbe 3524; ECLI:EU:C:2022:561 (Europese Commissie tegen Denemarken) De naam ‘Feta’ stond sinds 2002 geregistreerd als een beschermde oorsprongsbenaming (BOB). De naam mag Feta mag sindsdien alleen gebruikt worden voor kaas die uit dat geografische gebied uit Griekenland komt en voldoet aan de van toepassing zijnde productspecificatie. De Commissie geeft met haar eerste klacht aan dat Denemarken de verplichtingen die het heeft uit hoofde van Verordening (EU) No 1151/2012 zou hebben geschonden. Denemarken heeft namelijk het gebruik van de aanduiding ‘Feta’ op in Denemarken geproduceerde kaas bestemd voor uitvoer naar derde landen niet voorkomen dan wel gestopt. Denemarken stelt echter dat de Verordening alleen van toepassing is op producten die worden verkocht in de EU. Het Hof van Justitie oordeelt allereerst dat volgens de bewoording van de Verordening, dit niet het geval is. Ook producten die worden verkocht aan landen buiten de EU vallen onder het verbod. 

Daarnaast overweegt het Hof dat BOB’s en beschermde geografische aanduidingen (BGA) onder de Verordening beschermd worden als een intellectueel eigendomsrecht. De regeling voor BOB's en BGA's is in het leven geroepen om producenten van producten die verband houden met een geografisch gebied te beschermen door in het gebied van de EU een uniforme bescherming van de namen als een intellectueel eigendomsrecht te verzekeren. Volgens het Hof vormt het gebruik waar het in deze zaak om draaide gedrag dat door Verordening No 1151/2012 wordt verboden. Het Hof concludeert dat Denemarken, door dergelijk gebruik op zijn grondgebied niet te voorkomen of te stoppen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die het heeft op grond van de Verordening. Wat betreft de tweede klacht van de Commissie oordeelt het Hof dat Denemarken geen inbreuk heeft gemaakt op de verplichtingen die voortvloeien uit het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4 lid 3 VEU).

47. Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 13 van verordening nr. 1151/2012 betreft, blijkt uit lid 1, onder a), ervan dat „elk direct of indirect commercieel gebruik van een geregistreerde naam voor producten die niet onder de registratie vallen, indien deze producten vergelijkbaar zijn met de onder deze naam geregistreerde producten of indien het gebruik van de naam inhoudt dat misbruik wordt gemaakt van de faam van deze beschermde naam” verboden is. Uit de woorden „elk gebruik” volgt dat het gebruik van een geregistreerde benaming ter aanduiding van producten die niet onder de registratie vallen en in de Unie zijn vervaardigd maar voor uitvoer naar derde landen bestemd zijn, niet van dit verbod is uitgesloten.

51. Bijgevolg worden BOB’s en BGA’s door verordening nr. 1151/2012 en in het bijzonder artikel 13 ervan als intellectuele-eigendomsrecht beschermd, zoals wordt bevestigd door artikel 4, onder b), van deze verordening, volgens welke bepaling een regeling voor BOB’s en BGA’s wordt ingesteld om producenten van met een geografisch gebied verbonden producten behulpzaam te zijn door te zorgen voor eenvormige bescherming van de namen als een intellectuele-eigendomsrecht op het grondgebied van de Unie. Zoals de Republiek Cyprus opmerkt, vallen de BOB’s en BGA’s overigens ook voor de toepassing van verordening nr. 608/2013 onder intellectuele-eigendomsrechten, zoals blijkt uit artikel 2, punt 1, onder d), en punt 4, onder a), hiervan.

52. Het gebruik van een BOB of een BGA ter aanduiding van een op het grondgebied van de Unie vervaardigd product dat niet voldoet aan het toepasselijke productdossier, doet in de Unie afbreuk aan het intellectuele-eigendomsrecht dat die BOB of BGA uitmaakt, ook al is dit product bestemd voor uitvoer naar derde landen.

78.  Evenzo kan de uitvoer naar derde landen door producenten van de Unie van producten waarop op onrechtmatige wijze een BOB is aangebracht de positie van de Unie in internationale onderhandelingen ter bescherming van de kwaliteitsregelingen van de Unie weliswaar verzwakken, maar staat het niet vast dat het Koninkrijk Denemarken, zoals de advocaat-generaal in punt 95 van haar conclusie in wezen opmerkt, handelingen heeft verricht of verklaringen heeft afgelegd die dit gevolg kunnen hebben en die een andere gedraging vormen dan die welke in de eerste grief aan de orde is.