IEFBE 3485

Geen auteursrechtelijke en modelrechtelijke inbreuk meubelset

Hof van beroep Brussel 29 mei 2018, IEFbe 3485; rolnr. 2017/AR/425 (Meubar tegen Oosterlynck) Zie eerste aanleg [IEFbe 2295]. Meubar is een Belgische meubelfabrikant die een meubelset liet ontwerpen genaamd 'York'. Zij beweert dat Oosterlynck een vergelijkbare meubelset onder de naam 'Emily' op de markt brengt die inbreuk maakt op haar auteursrecht en op haar niet-ingeschreven gemeenschapsmodelrecht. Ten aanzien van de niet-ingeschreven gemeenschapsmodelrechten stelt de rechter dat drie jaar zijn verstreken na het openbaar maken van de meubelen, waardoor Meubar geen rechten meer kan uitputten ten aanzien hiervan. Wat betreft het auteursrecht van Meubar op de meubelset, acht de rechter deze vordering ook ongegrond. Het hof komt tot het oordeel dat de meubelset niet getuigt van een eigen intellectuele schepping van de auteur. Hierdoor kwamen de vrije en creatieve bekwaamheden van de auteur niet tot uiting. Tot slot acht het hof ook een beroep op strijdigheid met de eerlijke marktpraktijken ongegrond.

8. De door Meubar aangevoerde rechten uit hoofde van niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen op de meubels die deel uitmaken van haar collectie "YORK' en die voor het eerst zijn openbaar gemaakt op een beurs op 3 november 2013, zijn verstreken op 3 november 2016.

Ter gelegenheid van de pleidooien werd de aandacht van de raadsman van Meubar gevestigd op hetgeen voorafgaat. Zij verklaarde dat Meubar haar vordering handhaaft gesteund op niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen op de meubels die deel uitmaken van haar 'York' collectie, inzonderheid op de YORK' vitrinekast, het 'York' dressoir en het York TV-meubel.

9. Meubar kon na 3 november 2016 geen rechten meer putten uit haar niet Ingeschreven gemeenschapsmodellen.

12.

(...)

Bij een vergelijking tussen de meubels van de YORK' collectie, waarvan niet wordt bewezen door Meubar dat ze reeds vóór 3 november 2013 waren gecreëerd, met de toen reeds in dezelfde stijl verkochte meubels, Inzonderheid vitrinekasten, dressoirs en TV-meubels, (stukken C.4.1, C.7, C.8 en C9 van Oosterlynck) oordeelt het hof dat de meubels van de serie YORK, Inzonderheid de vitrinekast, het dressoir en het TV-meubel die er deel van uitmaken, niet getuigen van een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan, in die zin dat ze een eigen schepping zijn die de uitdrukking vormt van de persoonlijkheid van de auteur. Er blijkt niet dat de auteur van deze meubels er zijn creatieve bekwaamheden in tot uiting heeft kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzes en zo in staat is geweest aan zijn werk een 'persoonlijke noot' te geven.

(...)