IEFBE 3085

Geen herziening beslissing kamer van beroep EUIPO door Gerecht EU

Gerecht EU (Negende kamer) 10 juni 2020, IEF 19270, IEFbe 3085; ECLI:EU:T:2020:255 (L. Oliva Torras tegen EUIPO en Mecánica del Frío) Interveniënte heeft op 10 april 2013 bij het EUIPO een aanvraag tot inschrijving van een Gemeenschapsmodel ingediend. Het gaat om een type koppeling dat wordt gebruikt om koel- en klimaatregelingsapparatuur met een motorvoertuig te verbinden en wordt op 10 april 2013 ingeschreven en op 22 april 2013 gepubliceerd. Verzoekster doet een aanvraag tot inschrijving van een Gemeenschapsmodel op 22 augustus 2014. Dit Gemeenschapsmodel (hierna: litigieuze model) wordt ingeschreven op 22 augustus 2014 en gepubliceerd op 26 augustus 2014. Dit laatste model is in 2014 nietig verklaard - na een vordering tot nietigverklaring van interveniënte - wegens het ontbreken van nieuwheid en eigen karakter. In 2016 heeft verzoekster nietigheid van het litigieuze model ingediend. Deze vordering werd afgewezen door de nietigheidsafdeling, omdat het enige model daarvan de eerdere beschikbaarstelling voor het publiek was aangetoond, niet kon afdoen aan de nieuwheid en het eigen karakter van het litigieuze model. Hiertegen stelt verzoekster beroep in bij de kamer van beroep van het EUIPO. De kamer van beroep verwerpt het beroep, waarop de zaak bij het Gerecht komt.

Verzoekster verzoekt het Gerecht om de bestreden beslissing te vernietigen en die beslissing te herzien door het litigieuze model nietig te verklaren. Volgens vaste rechtspraak is het Gerecht echter niet bevoegd om in het kader van zijn toetsing van de rechtmatigheid van een beslissing van een kamer van beroep van het EUIPO zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de kamer van beroep of over te gaan tot een beoordeling waarover die kamer van beroep nog geen standpunt over heeft ingenomen. De bestreden beslissing dient vernietigd te worden, maar het Gerecht kan de bestreden beslissing dus niet herzien.

131. Zoals in punt 122 hierboven reeds in herinnering is gebracht, is het Gerecht volgens vaste rechtspraak in het kader van zijn toetsing van de rechtmatigheid van een beslissing van een kamer van beroep van het EUIPO niet bevoegd om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de kamer van beroep, en a fortiori niet om over te gaan tot een beoordeling waarover die kamer van beroep nog geen standpunt heeft ingenomen.

135. Gelet op de in punt 131 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak kan het Gerecht daarentegen de bestreden beslissing niet herzien en moet de daartoe strekkende vordering in het verzoekschrift dus worden afgewezen.