Gepubliceerd op woensdag 25 maart 2026
IEFBE 4153
Gerecht EU - Tribunal UE ||
13 okt 2025
Gerecht EU - Tribunal UE 13 okt 2025, IEFBE 4153; ECLI:EU:T:2025:971 (Grzegorz Wyrębski tegen EUIPO en Anna Gagatek-Woźniak, Artur Woźniak en Jolanta Mozerys), https://www.ie-forum.be/artikelen/gerecht-bevestigt-afwijzing-nietigheidsverzoek-blue-brand-chicken-eerdere-vernietigingsuitspraak-bindt-kamer-van-beroep

Gerecht bevestigt afwijzing nietigheidsverzoek BLUE BRAND CHICKEN: eerdere vernietigingsuitspraak bindt Kamer van Beroep

Gerecht EU 13 oktober 2025, IEF 23394; IEFbe 4153; ECLI:EU:T:2025:971 (Grzegorz Wyrębski tegen EUIPO en Anna Gagatek-Woźniak, Artur Woźniak en Jolanta Mozerys). In zaak T-44/25 stond een beroep centraal tegen de beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO om het nietigheidsverzoek tegen het driedimensionale Uniemerk BLUE BRAND CHICKEN af te wijzen. Het merk betrof de blauw-witte rechthoekige vorm van een doos voor waren en diensten in de klassen 29 en 40. Verzoeker had nietigheid gevorderd op grond van artikel 52, lid 1, onder b, van Verordening nr. 207/2009, stellende dat de merkaanvraag te kwader trouw was ingediend. De nietigheidsafdeling had dat verzoek aanvankelijk toegewezen, maar die uitkomst hield geen stand nadat het Gerecht in een eerdere procedure de toenmalige beslissing van de Kamer van Beroep had vernietigd. Nadat het Hof van Justitie de hogere voorziening tegen dat vernietigingsarrest niet had toegelaten, besliste de Vierde Kamer van Beroep opnieuw en wees zij het nietigheidsverzoek af, omdat zij, gebonden aan dat eerdere arrest, tot de slotsom kwam dat de aangevoerde bewijsmiddelen kwade trouw niet konden dragen.

Het Gerecht verwerpt het nieuwe beroep als kennelijk rechtens ongegrond. Volgens het Gerecht had de Kamer van Beroep haar beslissing voldoende gemotiveerd in de zin van artikel 94, lid 1, van Verordening 2017/1001 door uiteen te zetten dat zij op grond van artikel 72, lid 6, van Verordening 2017/1001 gebonden was aan zowel het dictum als de dragende overwegingen van het eerdere vernietigingsarrest. Dat arrest had reeds definitief vastgesteld dat de door verzoeker overgelegde bewijzen onvoldoende waren om kwade trouw van de merkaanvragers aan te tonen. Daarom hoefde de Kamer van Beroep de relevante feiten niet opnieuw volledig te onderzoeken en kon zij niet opnieuw tot een andere beoordeling van de gestelde kwade trouw komen. Voor zover verzoeker alsnog betoogde dat bepaalde feiten of rechtsopvattingen in het eerdere arrest onjuist of onvolledig waren beoordeeld, strandde dat op het gezag van gewijsde van dat inmiddels definitieve arrest. Het beroep werd daarom afgewezen; verzoeker werd veroordeeld in zijn eigen kosten en in die van de interveniënten, terwijl het EUIPO zijn eigen kosten droeg.

44       Het Hof heeft in paragraaf 29 van het nietigverklaringsvonnis weliswaar opgemerkt dat de bewijslast voor de kwade trouw van de interveniënten bij de verzoeker lag, maar heeft in paragraaf 31 van dat vonnis geoordeeld dat het tussen de partijen onbetwist was dat er geen agentuurovereenkomst was gesloten en dat geen van beide partijen als agent van de andere kon worden beschouwd. Het Hof merkte vervolgens op dat het bewijsmateriaal niet aantoonde dat de verzoeker had deelgenomen aan de totstandkoming van het betreffende merk. In de paragrafen 33 en 34 van het nietigverklaringsvonnis benadrukte het Hof dat het bewijsmateriaal niet aantoonde dat er een commerciële relatie tussen de partijen bestond waarin zij gelijkwaardige partners waren in een niet-geschreven gezamenlijke onderneming. Bovendien had de verzoeker het bestaan ​​van een dergelijke onderneming niet aangevoerd. In paragraaf 35 van hetzelfde vonnis hield het Hof ook rekening met het feit dat er geen rechtsgrondslag was aangevoerd om de commerciële relatie tussen de partijen juridisch te karakteriseren en hun wederzijdse rechten en verplichtingen af ​​te leiden. Om al deze redenen oordeelde het Hof dat de Raad van Beroep ten onrechte had geconcludeerd dat de kwade trouw van de interveniënten was bewezen en vernietigde bijgevolg de eerdere beslissing.

45       In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, laat het nietigverklaringsvonnis dus geen twijfel bestaan ​​over de beoordeling door het Tribunaal van het door de verzoeker ingeroepen bewijsmateriaal en de ontoereikendheid daarvan om de kwade trouw van de interveniënten aan te tonen.

46       In die omstandigheden heeft de Raad van Beroep niet verzuimd te voldoen aan zijn verplichting uit hoofde van artikel 72, lid 6, van Verordening 2017/1001 om de voor de tenuitvoerlegging van het nietigverklaringsvonnis vereiste maatregelen te nemen door vast te stellen dat na dat vonnis geen wezenlijk aspect van de zaak onopgelost was gebleven en door zelf geen nieuw onderzoek te verrichten naar alle relevante elementen voor de beoordeling van de grond van absolute nietigheid op grond van artikel 52, lid 1, onder b), van Verordening nr. 207/2009  , zoals door de verzoeker aangevoerd [zie in die zin en naar analogie het arrest van 14 juli 2021, Veronese tegen EUIPO – Veronese Design Company (VERONESE), T-749/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:430, punt 31].

47       Deze conclusie kan niet in twijfel worden getrokken door de overige argumenten van de verzoeker, die in wezen gebaseerd zijn op het feit dat het Tribunaal in het nietigverklaringsvonnis heeft nagelaten te oordelen over relevante elementen en rechtsfouten heeft gemaakt.