25 feb 2026
Gerecht bevestigt dat ‘Mein Autohaus’ beschrijvend is voor een digitaal communicatieplatform
Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23360; IEFbe 4137; ECLI:EU:T:2026:147 (Loco-Soft Vertriebs GmbH tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor het woordmerk Mein Autohaus voor een dienst in klasse 42, omschreven als een platform as a service (PaaS) dat is uitgerust met technologie waarmee ondernemingen, organisaties en particulieren hun aanbod online kunnen presenteren en informatie en nieuws over hun activiteiten, producten en diensten aan onlinegebruikers kunnen doorgeven. De examinator had de aanvraag voor die dienst geweigerd op grond van artikel 7, lid 1, onder b en c, UMVo, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, UMVo, en de Kamer van Beroep had die weigering bevestigd. Het Gerecht toetst eerst de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder c, UMVo en laat de beslissing in stand. Het relevante publiek bestaat volgens het Gerecht uit zowel het grote publiek als ondernemingen en organisaties, dus mede uit een gespecialiseerd publiek. Voor de beoordeling is met name van belang hoe het Duitstalige publiek het teken begrijpt. Het Gerecht volgt de Kamer van Beroep in haar oordeel dat “Autohaus” in het Duits rechtstreeks verwijst naar een autodealer of autobedrijf en dat dit element, toegepast op de betrokken dienst, onmiddellijk doet denken aan een digitaal platform dat verband houdt met de activiteiten van een autodealer. De betrokken dienst sluit daar volgens het Gerecht rechtstreeks op aan, omdat zij is bedoeld om online aanbod en bedrijfsinformatie te communiceren en dus kan worden gebruikt binnen het typische bedrijfsmodel van een autodealer, met name ter ondersteuning of bevordering van de verkoop van voertuigen.
Ook het element “mein” neemt volgens het Gerecht het beschrijvende karakter van het teken niet weg. Onder verwijzing naar de rechtspraak over bezittelijke voornaamwoorden oordeelt het Gerecht dat “mein” het publiek slechts rechtstreeks aanspreekt en de indruk wekt van een aanbod dat speciaal op de gebruiker is toegesneden. Het geheel Mein Autohaus wordt daarom door het Duitstalige publiek onmiddellijk en zonder verdere denkinspanning opgevat als een beschrijving van een dienst die betrekking heeft op “mijn autodealer” of een gepersonaliseerde digitale omgeving voor een autodealer. Het Gerecht verwerpt vervolgens het betoog van Loco-Soft dat de aanvraag niet ziet op autoverkoop- of reparatiediensten, maar op een technische PaaS-dienst. Volgens het Gerecht moet het beschrijvende karakter worden beoordeeld aan de hand van de concrete omschrijving van de aangevraagde dienst, en uit die omschrijving blijkt juist dat het niet gaat om een louter algemeen ontwikkelplatform voor softwareontwikkelaars, maar om een reeds uitgeruste digitale communicatiedienst. Daarom kan die dienst zonder meer worden gebruikt door autodealers om hun aanbod en bedrijfsinformatie online te verspreiden. Ook het argument dat “mein” niet beschrijvend zou zijn omdat gebruikers geen eigendom verkrijgen van het platform, slaagt niet. Verder benadrukt het Gerecht dat voor toepassing van artikel 7, lid 1, onder c, UMVo niet vereist is dat het teken op het moment van de aanvraag al feitelijk beschrijvend werd gebruikt; voldoende is dat het kan worden gebruikt om de betrokken dienst of een kenmerk daarvan te beschrijven. Omdat het teken dus beschrijvend is in de zin van artikel 7, lid 1, onder c, UMVo, hoefde het Gerecht het afzonderlijke middel over het ontbreken van onderscheidend vermogen ex artikel 7, lid 1, onder b, UMVo niet meer te onderzoeken. Het beroep wordt volledig afgewezen. Omdat het EUIPO alleen om een proceskostenveroordeling had verzocht voor het geval een zitting zou plaatsvinden en geen zitting is gehouden, draagt iedere partij haar eigen kosten.
29 In het onderhavige geval blijkt uit de beschrijving van de dienst waarop de merkaanvraag betrekking heeft, duidelijk dat het een platform-as-a-service (PaaS) betreft dat reeds is uitgerust met technologie waarmee bedrijven, organisaties en particulieren hun aanbod online kunnen communiceren en informatie en nieuws met betrekking tot hun activiteiten, producten en diensten, evenals aanverwante communicatie, aan online gebruikers kunnen overbrengen. Hieruit volgt dat het hier niet gaat om een platform-as-a-service (PaaS) voor ontwikkelaars van webapplicaties. Het gebruik van de term "uitgerust met technologie" in de beschrijving van de betreffende dienst geeft immers duidelijk aan dat de betreffende platform-as-a-service (PaaS) reeds een bepaalde technologie omvat en beschikbaar stelt, waardoor, zoals duidelijk blijkt uit de beschrijving van de dienst zelf, niet alleen bedrijven en organisaties, maar ook particulieren hun aanbod kunnen communiceren en informatie kunnen overbrengen.
30 Hieruit volgt tevens dat het argument van de verzoeker dat de in de bestreden beslissing gebruikte termen "kopers" en "verkopers" onverenigbaar zijn met de IT-platformdienst voor webapplicatieontwikkelaars, geen stand kan houden, aangezien uit de beschrijving van de dienst duidelijk blijkt dat de betreffende dienst niet uitsluitend gericht is op webapplicatieontwikkelaars.
31 Bovendien is de betreffende dienst, zoals het EUIPO terecht opmerkte, specifiek gericht op online aanbiedingen en communicatie.
32 Het is derhalve niet uit te sluiten dat de betreffende dienst door autodealers gebruikt kan worden om hun online aanbod te communiceren en informatie over hun bedrijfsvoering te verspreiden, met name in het kader van de verkoop van motorvoertuigen.
33 Zelfs ervan uitgaande dat het aangevraagde merk op het moment van de registratieaanvraag niet daadwerkelijk werd gebruikt voor beschrijvende doeleinden van de betreffende dienst, namelijk voor diensten die verband houden met de activiteiten van een autodealer, sluit dit de mogelijkheid van een dergelijk gebruik in de toekomst niet uit [zie in die zin arrest van 20 november 2024, Solidexpert Polska tegen EUIPO (houtexpert), T-68/24, niet gepubliceerd, EU:T:2024:847, punt 29].
34 Om de registratie op grond van artikel 7(1)(c) van Verordening 2017/1001 te weigeren, is het voor het EUIPO echter niet nodig dat de tekens en aanduidingen waaruit het in dat artikel bedoelde merk bestaat, op het moment van de aanvraag daadwerkelijk worden gebruikt voor de beschrijving van goederen of diensten zoals die waarvoor de aanvraag wordt ingediend, of van de kenmerken van die goederen of diensten. Het is voldoende, zoals blijkt uit de bewoordingen van die bepaling zelf, dat die tekens en aanduidingen voor dergelijke doeleinden kunnen worden gebruikt (arrest van 23 oktober 2003, OHIM tegen Wrigley, C-191/01 P, EU:C:2003:579, punt 32).
35 Hieruit volgt dat de Raad van Beroep geen fout heeft gemaakt door te oordelen dat het aangevraagde merk beschrijvend was voor de betreffende dienst, in de zin van artikel 7(1)(c) van Verordening 2017/1001.